Voor het geval dat het u ontgaan is: het is de maand van de
filosofie. U heeft dus nog ruimschoots de tijd om over iets ingewikkelds na te
denken als uw ziel, het thema dit jaar. Als u dat te hoog gegrepen vindt mag
het van de Vereniging van Filosofen ook over iets behapbaarders gaan, zoals
‘het bewijs van het eigen bestaan als denkend object’. Die laatste zin kom ik
op de eerste bladzijde tegen van het boek ‘Het bewustzijn verklaard’ van
filosoof Daniel C. Dennett. Dennett is een yankee, en een man. Dat laatste zeg
ik er maar bij omdat je in de filosofie nog steeds weinig vrouwen tegenkomt.
Grote geesten – bijna allemaal mannen – hebben zich over de vraag gebogen waarom
dat zo is, maar zo moeilijk lijkt me de vraag niet te beantwoorden. Mannen willen
oplossingen, zelfs voor onoplosbare problemen. Niet al te veel vrouwen lijken
zich tenminste in de geschiedenis van de mensheid druk te hebben gemaakt over
‘het bewijs van hun eigen bestaan als denkend object.’ De meest gangbare uitleg
daarvoor is dat de denk- en gevoelswereld van vrouwen beter verweven is, meer
in harmonie. Van de andere kant: dat de omgang met een probleem van groter
belang is dan het oplossen ervan zou je een typisch vrouwelijke filosofie
kunnen noemen. Als ik voor mezelf spreek: ik voel een grote affiniteit met de
problemen die de filosofie opwerpt maar zelden met haar antwoorden, haar
oplossingen. Ik hoéf geen oplossingen, daarin ben ik net een vrouw. Een ander bezwaar dat ik tegen de filosofie heb is dat ze als het er
werkelijk op aan komt zo weinig troost biedt. De enige vorm van troost die we
uiteindelijk hebben is de schoonheid. Op een begrafenis lezen
we elkaar daarom gedichten voor, we luisteren naar Bach of The Beatles. Wat we niet doen bij de
begrafenis van een dierbare is een filosofische voordracht aanhoren over ons
‘bestaan als denkend object’.
Schrijver/dichter August Tholen heeft zich voorgenomen om een blog bij te houden. Sommige van de blogartikelen verschenen ook in dag- of weekbladen. Suggesties en leden/volgers zijn welkom. Reacties sturen naar: augusttholen@gmail.com
woensdag 11 april 2012
woensdag 4 april 2012
Rituelen
Met een bevriend schilder-schrijver
wandel ik door de binnenstad. Mijn vriend is vandaag drieëndertig geworden, de leeftijd waarop Jezus van Nazareth zijn laatste adem
uitblies. Het brengt ons ertoe onder het lopen een lijstje te maken van
vroeggestorven kunstenaars en schrijvers. Bij de schilders komen we niet verder dan
Modigliani en Vincent van Gogh, maar de lijst met vroeggestorven schrijvers is
des te langer. Daaruit zou je kunnen concluderen dat schrijven een gevaarlijke bezigheid is.
De wandeling voert langs een
grasveldje waaraan een kleine protestantse kerk ligt. Op zondagen schudt hiervandaan een moderne klokkentoren zijn gebeier over onze stadswijk. Vandaag wordt er begraven. Een zwarte
lijkauto stuurt langzaam rond het grasveldje, een tiental volgauto’s in zijn
kielzog. Families in donkerglanzende pakken vullen de straat en laten zich
ronddirigeren door een team zeer professionele begravers. Het ziet er strak
georganiseerd uit allemaal. Van mij mag het wel wat minder vakkundig, een
beetje slordig zelfs. Zo’n tot in de puntjes geritualiseerde uitvaart is
duidelijk toch weer bedoeld om de dood op een afstand te houden. Hoe groter de
angst voor de dood hoe formeler het er aan toe gaat. Dat geldt trouwens ook
voor levensangst, bedenk ik.
Ik vraag mijn vriend hoe het voelt,
drieëndertig worden. Hij geeft toe ineens een zekere tijdsdruk gewaar te worden; als kunstenaar is de tijd van veelbelovend zijn inmiddels wel voorbij. ‘Drieëndertig,’ zegt hij, ‘dat is bijna al
te laat voor te vroeg gestorven.’
We wachten voor de ingang van de kerk tot
de stoet rouwenden voorbij is, maar daarin zijn we de enigen. Andere passanten
doorkruisen laconiek de families in het zwart. Een postbode met een opzichtig
gekleurde brievenkar beweegt zich zelfs zó
onverstoorbaar tussen de rouwenden dat je je afvraagt of er hier tussen de bedrijven door wordt
begraven ofwel tussen de bedrijven door post wordt rondgebracht.
Maar nee, dit is het hele bedrijf.
August Tholen
August Tholen
zaterdag 31 maart 2012
Een fantast met faalangst
De Engelse historicus Ian Kershaw schreef een tweedelige
Hitlerbiografie die onvermijdelijk de vraag opwerpt of er geloof moet worden
gehecht aan het idee dat er van de geschiedenis iets te leren valt. Al die
pogingen van historici om langs analytische weg het succes van demagogen en
tirannen te bevatten; zijn het geen pogingen om verstand te vinden in dierlijke
drift, rede in bloeddorst? In Hoogmoed, het
eerste deel van de biografie, voert Kershaw meerdere argumenten aan om aan te
tonen dat Hitlers persoonlijkheid een grote rol speelde, dat het kwaad zogezegd
al in de wortel zat. Maar aan de jonge plant Hitler was helemaal niets mis, die
ontwikkelde zich mendeliaans, dat wil zeggen: bedreigd door de wereld, in plaats van een
bedreiging vóor de wereld. De
stinkende vruchten die er later aan zouden groeien waren zonder twijfel het
gevolg van een ziekmakende omgeving; een harteloze vader, armoe en vernedering,
en nog later het pesticide van het pan-germanisme.
Er wordt in verband met Hitlers ontwikkeling altijd veel nadruk
gelegd op het feit dat hij op de kunstacademie werd afgewezen. Een mislukt
kunstenaar, wordt er graag bij geschamperd. Het is een fraai staaltje van
achteruit argumenteren. Eveneens afgewezen werd dat jaar een vent die het later
zelfs tot rector bracht van dezelfde kunstacademie! De afwijzing toont
hoogstens aan dat Hitler niet bijzonder getalenteerd was en niet willens zijn
artistieke tekortkomingen door hard werken aan te vullen. Maar wat bewijst dát?
De wereld is vol van middelmatige presteerders en luiwamessen die geen tiran worden.
Over Hitlers kunstzinnige aspiraties zegt Kershaw: Hij was een
fantast met faalangst. Maar zo begint toch menig kunstenaarsleven? Sterker, zo
eindigt ook menig kunstenaarsleven.
Weinig talent en geen sprankje doorzettingsvermogen. Allemaal goed
en wel, maar Adolf Hitler is dan achtien of negentien jaar. Het is dé tijd bij
uitstek in het leven van een jonge man om even op drift te raken, om –
kortstondig – tot mislukken gedoemd te zijn. Er is, kortom, niets in zijn
jeugd- en adolescentenjaren dat dwingt tot een lineair of causaal verband met
de latere dictator. Ook niet zijn hoogmoed die eveneens ‘des jeugds’ is. Wat
vooral bijblijft na het lezen van Kershaws doorwrochte werk is hoe
onvoorstelbaar veel hulp tirannen nodig hebben om carrière te maken. Hitler was
een ongericht projectiel dat in zijn baan geholpen moest worden door krachten
van buitenaf. Hij had hulp nodig van anderen, en niet zo’n beetje ook. Het is onvoorstelbaar hoeveel hulp
Adolf Hitler kreeg in het Duitsland van zo’n driekwart eeuw geleden.
maandag 26 maart 2012
Ian Kershaw, Hitler
Als je het leven van een tiran
beschreven ziet ben je vooral op zoek naar het omslagpunt daarin, als je zoals
ik tenminste niet geloven kunt dat iemand als tiran geboren wordt. Hitlers reputatie, die van
vleesgeworden slechtheid, heeft zich vooral achterwaarts en terug in de tijd
ontwikkeld. Sommigen gaan daarbij zo ver om de volgroeide schurk Hitler zelfs
in de onschuldige baby Hitler te projecteren. Het fenomeen is bekend uit films:
als je eenmaal wéét dat iemand een schurk is zul je het in zijn of haar gezicht
ook menen te zien. ‘Wat een rotkop’, zeg je over iemand die nota bene een rol
speelt, en die in een volgende film in de rol van held of heldin wordt gecast –
met dezelfde rotkop.
Ian Kershaw doet in zijn overigens
uitstekende biografie min of meer hetzelfde wanneer hij Hitler’s jeugd
beschrijft. Iets te vaak wekt hij de indruk dat Hitlers hele leven een
omslagpunt was, dat van meet af aan alle kenmerken van de latere dictator
aanwezig waren. In die context verklaart hij te vaak onbeduidende voorvallen
tot sleutelfeiten. De eerste helft van Hitlers leven verliep feitelijk
ongedenkwaardig en was nauwelijks interessant. Er moeten duizenden,
tíenduizenden mensen zijn geweest die zo’n zelfde soort leven leefden en die
allemaal niet tot
een dictator uitgroeiden. En wat betreft Hitlers denkbeelden: stuitend is toch
vooral zijn gebrek aan visie en het Volksempfinden dat er voor in de plaats
komt. Hij was de ideale vertolker van dat Volksempfinden door zijn eigen innerlijke
leegte en zijn behoefte ergens bij te horen. In het door en door vernederde
Duitsland van de Weimarrepubliek kon Hitler het met zijn talent voor demagogie
ver brengen; zijn remedies waren verleidelijk simpel en zijn retoriek simpelweg
verleidelijk. Hij was een roofdier dat zijn kans greep, maar van een
aangeboren kwaadaardigheid is, zo
min als bij roofdieren, geen sprake. Wie Hitlers jeugdfoto bekijkt en daarin
reeds het sluimerende kwaad ziet doet wat de filmkijker van hierboven doet: hij
handelt met voorkennis. Het is kijken met terugwerkende kracht. Het is enkel
met die terugwerkende kracht dat Hitler kon uitgroeien tot het
spreekwoordelijke kwaad, de primus inter pares onder de tirannen.
maandag 19 maart 2012
Eva Braun
Ooit ontdekte ik dat als je door het
huidig Europa een Andreaskruis trekt de lijnen bijeenkomen in Braunau am Inn,
Hitler’s geboorteplaats. Typisch een ontdekking voor Harry Mulisch, leek me
dat. Op een kleine 100 kilometer afstand van Braunau am Inn ligt de Obersalzberg, waar Hitler in
1935 zijn presidentiele onderkomen de Berghof liet bouwen en waar algauw de
complete top van de nazipartij neerstreek. Het is tegen dit Beiers alpendecor
dat Eva Braun menig filmrolletje volschoot van haar geliefde. Hitler leerde
Braun kennen in 1929 op het kantoor van de fotograaf Hoffmann. Ze was toen 17
jaar en ze zou het ideale gangstermeisje worden: tamelijk charmant, zeer loyaal
en volslagen apolitiek. Op de films die ze van Hitler en zijn entourage maakte
op de Obersalzberg ziet Hitler er vooral ontstellend onnozel uit, als een
vroegoud keuterboertje (nomen est omen, Hitler betékent ook zoveel als
keuterboertje). Zijn stijl van zich voor de camera bewegen is die van gezag
uitstralen door stijf als een standbeeld
heen en weer te wiegen, met af en toe een militair hupsje tussendoor.
Ontspannen lijkt hij geen moment, onzeker en zich van zichzelf bewust des te
meer. Dat stijve en formele blijkt nog duidelijker in zijn omgang met kinderen
die, veel meer dan volwassenen, tot fysieke actie aanzetten: er dient gebogen,
geknield, gespeeld en aangeraakt
te worden. Hitler dwingt zichzelf in die rol, die van joviale oom, maar het
kost hem zichtbaar moeite. Zelfs in de manier waarop hij een hond streelt zit
iets houterigs. Je krijgt de indruk dat Hitler niet met levende wezens kon
omgaan, behalve in de meest formele, afstandelijke zin. Dat maakt een mens
kolossaal eenzaam, en kolossale eenzaamheid leidt tot kolossale woede. Hitler
was voortdurend bezig zichzelf te overschreeuwen en de Duitsers hadden behoefte
aan iemand die zichzelf overschreeuwde, iemand die het nationale gevoel van
verlies en onmacht kon omzetten in een Wagneriaanse overwinningsmythe. Hoe die
mythe precies tot stand kwam is gedetailleerd beschreven in Ian Kershaw’s
indrukwekkende Hitler-biografie. Daarover later meer.
woensdag 14 maart 2012
Herrie
Over het belang van deze blog heb ik soms zo
mijn twijfels. Soms denk ik: ik creëer er een kleine luwte mee in een wereld
vol herrie en derrie. Dan weer denk ik: het is het megalomaan getoeter van een
ijdeltuit. Er zijn dagen dat ik denk: die stukjes moeten eigenlijk veel langer
zijn, dan weer lijken ze me nog veel te lang. Hoe het ook zij, dat niemand er
op zit te wachten lijkt me overduidelijk want er is teveel van alles in de
wereld. Teveel blogs, teveel columns, teveel rubrieken en opinies, teveel
gekwetter en getweet. Zoveel stemmen om ons heen, al die informatie, wie kan en
wil dat allemaal verwerken? Twitter, Hyves, sms, mms, Facebook, weblogs, fora,
Linkedln: het lijkt wel of we allemaal tegelijk naar elkaar staan te
schreeuwen: Hé, kijk hier! Hier ben ik! Hier sta ik! Zie je me?
Zo kan het gebeuren dat ik over de lengte van
deze stukjes nadenk terwijl ze toch van een uiterst bescheiden lengte zijn. Van
lezers – scholieren vooral – krijg ik wel eens te horen dat ze blij zijn dat ik
‘dunne boeken’ schrijf. Ze zeggen het trouwens op zo’n toon dat ik ga vermoeden
dat ik ze nog veel blijer maak door helemaal géén boeken te schrijven. Zo
bescheiden ben ik nou ook weer niet. Maar er zijn van die dagen dat ook mijn
eigen stem me een tikje te luid voorkomt.
Vandaag was zo’n dag.
Vandaag lijkt dit stukje me wat aan de lange
kant.
vrijdag 9 maart 2012
Drank en dood
Van de typisch Nederlandse roman, als die bestaat,
krijg ik claustrofobie. Zit je weer voor voor tweehonderd of meer bladzijden
gevangen in het monotone interieur van een getourmenteerde, broeierige ziel.
Er hoort regen bij, Nederlandse regen, een poes, kastanjebomen,
veel drank en het schoorvoeten van Magere Hein om het huis. Waarom nu
kastanjebomen? Dat kan ik niet zeggen. En hoewel ik genoeg romans kan
voorleggen die drank of dood of poes tot thema hebben zou het me moeilijk vallen
meer dan een paar romans aan te wijzen waarin ál die zaken aan bod komen.
Dat bewijst mij nog niet dat de
typisch Nederlandse roman niet
bestaat, alleen is er met die roman iets merkwaardigs aan de hand. Veel daarin
is natuurlijk gewoon gelogen. Fictie heet dat dan. Proza haalt vanouds veel
stof uit de leugen, maar het merkwaardige is nu dat in de typisch Nederlandse roman gelogen wordt over
drank en dood, want die schrijvers voelen zich best wel ‘ns gewoon lekker,
lente-achtig, van hupfaldera. Toch willen ze ons het liefst doen geloven dat ze
gedurig gevangen zitten tussen ongeneeslijke landerigheid en wereldwee. Dat ze
gekweld worden door zichzelf, de herfstregen en de dood van hun poes. Welnu,
van die typisch Nederlandse roman
krijg ik claustrofobie.
Maar de typisch Nederlandse roman bestaat niet.
Abonneren op:
Posts (Atom)






