maandag 24 september 2012

Stadsliefde



Wanneer ik langere tijd achtereen in een vreemde stad heb doorgebracht krijg ik een geweldige aandrang om het platteland op te zoeken, om vergezichten te zien, bergen en bossen, de zee, de onbewoonde randen van de wereld. Die reactie is waarschijnlijk niet zo ongewoon. Ongewoner is wellicht het gevoel dat steden me bezorgen, en altijd bezorgd hebben. Dat is het gevoel dat ze tijdelijk zijn.
Natuurlijk, er is genoeg tijd om er op een terrasje te zitten en passanten gade te slaan. Er is ook ruimschoots genoeg tijd om door straten en parken te dwalen, om ergens een kop koffie te drinken of een paar nieuwe zomersandalen uit te zoeken. Die tijd is er, zeker. Er is zelfs tijd genoeg om in een stad geboren te worden, om er een gezin te beginnen en er pas na een lang, kinderrijk leven te sterven. Maar op een dag zál die stad verdwenen zijn. Het kan enkele duizenden jaren duren of een paar miljoen, maar op een dag is die stad er niet meer. Dat gevoel heb ik bij alle steden. Behalve bij Parijs.
Ik heb Parijs vaak bezocht en er ook ooit een paar maanden achtereen geleefd. Ik doorkruiste haar in die tijd vooral te voet, onvermoeibaar, van noord tot zuid en van links naar rechts. Parijs slaagde er toen in met me te doen wat tot dan toe geen enkele andere stad gelukt was: ze gaf me het gevoel groter te zijn dan een stad en veel meer dan een toevallig, tijdelijk samenraapsel van stenen en mensen. Ze was onvatbaar groot, vele malen groter dan het leven dat onophoudelijk door haar heen krioelde.  Ze leek aan de tijd en de verbeelding te ontsnappen. Ik liep er door zonovergoten parken en langs helverlichte boulevards, ik verkende afgelegen pleintjes en geheime tuinen, snuffelde er aan brievenbussen. Ik bezocht alle musea, alle kerken en bioscopen, at er in studentenmensa´s, snoof er de geur van de regen op. Ik was - of voelde me toch - een man met een missie.  Die missie was: de stad inventariseren. Ik had het plezierige, zij het licht onwezenlijke gevoel een stad te beheren, een beetje zoals gods tuinman het paradijs beheert. Maar Parijs bleek niet te beheren, zomin als het paradijs waarschijnlijk te beheren valt. Ik ontdekte dat Parijs zich niet laat toe-eigenen: dat ze altijd weer aan je greep zal ontsnappen. Omdat ze van niemand is. Parijs behoort alleen zichzelf toe. Ze heeft lak aan de tijd, of is er een raadselachtig verbond mee aangegaan. De zon schijnt er helderder, de regen is er bruin van melancholie en de sneeuw valt er dikker, plechtig haast.
Natuurlijk is dat maar de helft van het gezicht dat Parijs heet. Ze heeft ook een grimmige, groezelige kant.  Ergens moet er van haar een duplicaat worden bewaard, een Dorian Gray-achtige kopie waarin het wemelt van de heroinehoertjes en daklozen, werkeloze jongeren en vereenzaamde bejaarden, van woedende emigranten die auto´s in brand steken en van verstijfde lijken die met de buik omhoog uit de Seine worden gevist.
Als ik bij mijn herinneringen aan Parijs een gelijkgestemde ziel zoek lees ik Stadsliefde, scènes in Parijs van Adriaan van Dis. De schrijver woonde jarenlang in de Franse hoofdstad. Het eerste adres dat hij er bewoonde, in de rue du Cherche-Midi, is toevallig om de hoek waar ik verbleef. Van Dis bewandelde en befietste Parijs, stelde zich de levens voor achter al die gesloten ramen en deuren, bezocht zowel de musea als de banlieues. Hij had evenveel oor voor fundamentalistische oproerkraaiers als hij oog had voor muizenpootjes op een stoffige vensterbank. Hij verdiepte zich in kaalkopracisten én bestudeerde de spiegeling van een gevel op een nat trottoir.
En hij was er eenzaam. Leven in een stad die alleen zichzelf toebehoort betekent leven in een stad vol geesten. Van Dis voerde er veel gesprekken met geesten, de geesten van schrijvers vooral. Het gevaar bestaat dan dat je zelf tot een geest verwordt, zoals de dwalende engel Damiel uit de film Himmel über Berlin, die ik trouwens destijds in een bioscoop zag in de smalle rue St. André des arts. Dat gevaar, om zelf tot een geest te verworden, bestreedt Van Dis door -zoals hij het zelf verwoordde -  ´een permanente integratiecusus te volgen, door zich te mengen met gek en goed en hoog en laag´.
Van Dis kondigde onlangs aan Parijs te gaan verlaten. Hij ruilt, net als ik destijds, de stad in voor het platteland. Misschien omdat hij toch het machtige Parijs moe is geworden, net als ik toen. Ik kon er tenminste niet meer tegen. Ik moest weg, de stad uit. Ik was moe van haar oogverblindende architectuur, haar eindeloze reeksen bruggen, haar eeuwige monumenten en tuinen, haar musea en stromen mensen. Ik kon daar niet meer tegen. Ik moest er weg, op zoek naar nieuwe, tijdelijke vergezichten. Wie ook  dat verlangen kent naar een tijdelijk vergezicht moet op reis, of Stadsliefde lezen.

zondag 16 september 2012

Poëzie in beeld


Poëzie is dun gezaaid op televisie. Je hoort er soms wel eens iemand spreken over ´pure poëzie´maar het betreft dan niet de dichtkunst maar een fraaie boogbal van Robin van Persie, of de contouren van het laatste model Porsche of Ferrrari. ´Pure poëzie´ is een zinnetje dat je zelfs meestal gebezigd hoort worden door mensen die nooit poëzie hebben gelezen, en die nooit zullen lezen.
Daar zou je je aan kunnen storen, zij het dat je je dan ook kunt storen aan mensen die een woord als´hemels´gebruiken zonder ooit de hemel van binnen te hebben gezien.
Toch is het mogelijk, beelden op televisie die iets opleveren dat sterk een gedicht benaderd. Zo zag ik ooit een documentaire over een kostschool voor muzikaal begenadigde jonge meisjes, ergens in het Angelsaksische koninkrijk. De meisjes, allemaal in eendere kostschoolkostuums - plooijurk, blazer met logo en hoog opgetrokken gebreide kousen - werden gefilmd tijdens hun harp- en pianolesssen. Ze werden ook gevolgd op een wandeling vlak buiten de school. Het was winter, het had hevig gesneeuwd en een zware mist hing boven het zachtglooiende landschap. Een groep van zo´n zes meisjes liep ingehouden pratend het pad af toen een van hen een kleine  kreet slaakte. In de sneeuw voor haar lag een roodborstje, door de kou bevangen. Voorzichtig tilde ze het diertje op, de andere meisjes kwamen om haar heen staan. Het verenbolletje werd fluisterend doorgegeven van hand tot hand. Meisjesmonden bliezen er de warmte in terug  tot het diertje langzaam tot het land der levenden terugkeerde. Plotseling vloog het op uit de bescherming van een meisjeshand en verdween in de mist.
Het was poëzie in beelden. Ook hierom: er was geen enkele kunstgreep toegepast om de kijker in vervoering te brengen. Nergens was een voice-over gebruikt, er was geen smeltende vioolmuziek of een ander effect te bekennen om het mooier te maken dan het was. Ook dat is een kenmerk van ware poëzie.
Je denkt: als dat mogelijk is met beelden kan het dan ook met kleuren, met smaak wellicht? En hoe zit het met geur? Is het mogelijk poëzie aan geuren te onttrekken? Dicht in de buurt komt misschien dit: een Engelse bibliothecaresse die om haar - veelal antiquarische - boeken te indexeren niet volstaat met een catalogusnummer en een genrevermelding. Ze legt een staalkaart aan waarin ze de geuren van de gelezen boeken vermeldt. Een van de notities die ze maakt na het opsnuiven van een boek is deze: ´Feels like a hug from an elderly person


maandag 3 september 2012

Een weeshuis voor afgedankte teksten



In de wereld van de literatuur bestaat geen honger. Het is er nooit koud, de ijzigste omstandigheden hebben geen vat op je en je kunt er tot in de diepste hellekringen afdalen zonder een brandblaar op te lopen. Literatuur slaagt erin zelfs de meest bittere smart en de grootste rampspoed tot schoonheid te transformeren.
Dat, zou je kunnen zeggen, is een gevaar. Want hoe goed de literatuur ook het echte leven benaderd: ze blijft er een zeer beperkte weergave van, een facsimile. De felste pijn, de ellendigste afzondering en zelfs de folterbank die de liefde is; alles wordt door de literatuur omgezet in een draaglijke versie, te nuttigen met een rijstwafel, genoeglijk opgekruld in de bank.
Die eigenschap, de grootste ontberingen van het leven draaglijk voor te kunnen stellen, is tevens wat de literatuur zo succesvol maakt. De afgezwakte, uiterst verteerbare bewerking van het leven die ons wordt voorgeschoteld ervaren we als troostrijk. We houden ervan als het leven inzichtelijk wordt gemaakt en onze pijn óverzichtelijk. 
Van literatuur wordt wel beweerd dat ze empathischer maakt. Het langdurig in het hoofd en de omstandigheden verkeren van een ander persoon zou tot een groter inlevingsvermogen en meer compassie leiden. 
Sceptici brengen daartegenin dat literatuur juist een omgekeerd effect heeft: alleen al de daad van het lezen zelf zorgt ervoor dat mensen in zichzelf gekeerd raken. Lezers zijn wereldvreemde dromers die zich overgeven aan dadenloosheid en een al te rooskleurig wereldbeeld.
Als ik voor mezelf spreek: het was voor mij een geweldige geruststelling – vooral als puber – om te ontdekken dat zich in de hoofden van die anderen (lees: schrijvers) dezelfde wirwar aan gevoelens en gedachten afspeelden als in dat van mij. Ik mocht dan van een verre planeet zijn afgedaald om tussen vreemde wezens te verkeren: ik was niet de enige.
Literatuur lezen is tevens wat mij aan het schrijven bracht. Schrijven is ook een beetje terugbetalen aan een schuld. In dit geval behelste die schuld dat ik over de aard van het mensdom enigszins gerustgesteld ben geworden door het lezen van romans, poëzie, essays, brieven en autobiografieën. En dagboeken. Wat sommige mensen tegen dagboeken hebben is me altijd een raadsel geweest. Dagboeken zijn bij uitstek een plek voor een schrijver om de gedachten te ordenen, de intuitie te scherpen, het hart te luchten. Het is de plek waar hij uit ruwe klei vormen schept, waar hij zichzelf verwondert over zijn grootse inzichten en zijn eigen kortzichtige natuur. Het is de plek waar hij de antagonist uit zijn dromen ontmoet: zichzelf.
Ooit stuurde ik samen met wat gedichten een aantal dagboekfragmenten naar een uitgeverij. Ik verwachtte daar het een en ander van want iemand met gezag en verstand van zaken had mij de uitgever in kwestie aangeraden. Voorspraak dus. De uitgever, die een uitgeefster was trouwens, schreef me over de dagboekfragmenten terug dat ze 'er niet veel in zag'. Ik geloofde haar. Ik liet me destijds vrij gemakkelijk overtuigen door uitgevers, maar dat was omdat ik er nog geen ontmoet had. Wat ik wel raadselachtig vond was het zinnetje dat ze er op liet volgen. 'Misschien', schreef ze, 'is het iets voor een weblog'. 
Ik wist toendertijd niet wat een weblog was (dat wat u nu leest, dus) maar het zinnetje verbaasde me evengoed. Een weblog, dat moest een plek zijn waar woorden die eigenlijk niet voldeden tóch een plaatsje konden vinden. Een soort weeshuis voor afgedankte teksten. En dat wilde er bij mij niet in. Iets is goed of het is niet goed, daar ben ik altijd nogal een purist in geweest. Het doorschuiven van broddelwerk en geknoei kan en mág geen optie zijn. 
Maar u bent gewaarschuwd. U weet nu dat bepaalde mensen in een weblog een prullenbak van de geest zien. Een dumpplaats voor mislukte teksten. Een eettafel waar schrijvers aan hun lezers de kliekjes van gisteren opdienen. 
Wie weet is het nog waar ook. Nogal wat schrijvers hebben niets anders voorradig dan kost van gisteren. Ze serveren u zouteloze lettersoep, klonterige woordenbrij en een plateau met belegen, korstige ideeën na.
Dat zal ik niet doen. U krijgt hier alleen het beste van het beste.

donderdag 23 augustus 2012

Wie houdt er van lever?



Op 12 september mogen we naar de stembus. Dat wordt weer ouderwets kiezen tussen linke soep en rechtse ballen. 
Ik vul de stemwijzer op het internet in, een beetje tegen beter weten in, want in de politiek komen steevast mijn ergste dromen uit. De Nederlander leeft als een grootkapitalist en stemt als een verongelijkte arbeider.
Een van de vragen die er aan bod komen gaat over de bevoegdheden van de koningin. Net als de meeste Nederlanders ben ik koningsgezind noch republikeins. We houden het koningshuis aan omdat we er geen last van hebben. Dat is een goed Nederlands gebruik. Op dezelfde wijze houden we hier het homohuwelijk, een populatie wilde zwijnen en de kunsten in stand. Maar voor al die gebruiken geldt wel: één misstap en het volk krijst dat ze moeten verdwijnen. Je past dus beter op je tellen wanneer je homo bent, kunstenaar of zwijn. 
Of de koningin dus, die die ondankbare positie – die waarin je slechts getolereerd wordt – deelt met de eerste de beste asielzoeker. Zelf groeide ik op in het tolerante Nederland van de jaren '70 en '80. Tegenwoordig lijkt men het erover eens te zijn dat die tolerantie op een leugen berustte, een sprookje dat alleen kon gedijen bij een rabiate onderdrukking van andere, rechtse geluiden. Het was de afspraak om die andere geluiden te smoren die maakte dat types als Janmaat tot nationale pispaal konden worden gemaakt. Ik moet zeggen: ik heb dat stilzwijgend cordon sanitaire van wat later de linkse kerk is gaan heten als heel plezierig ervaren. Als er dan toch een groep mensen het voor het zeggen moet hebben dan maar liever de hufterige toleranten dan de intolerante hufters. Ik zie minderheden nog altijd liever vertroeteld worden dan in elkaar geslagen.
Hoe dan ook, naar dat tijdperk van gespeelde tolerantie valt niet terug te keren, beweren bepaalde lieden, omdat ze gespeeld was. Maar is beschaving niet altijd gespeeld, net zoals met mes en vork eten eigenlijk tegen onze natuur ingaat? Pim Fortuyn, zo zeggen die lieden, maakte een eind aan dat spel, die leugen van de tolerantie. Of misschien had de leugen gewoon zijn langste tijd gehad. Aan alle beschaving komt tenslotte een eind.
Ondertussen leven we in een land waarin vluchtelingen weliswaar worden opgevangen maar alleen mits ze niet meer dan wat kastruimte in beslag nemen en zich vooral niet roeren. Het milieu zal hier pas echt een kwestie worden als door het gebrek aan zuurstof in de lucht onze auto's slechter gaan presteren, en ons idee van naastenliefde is dat je voor een euro een postcodelot koopt waarbij in het onverdraaglijke geval dat we met dat lot geen miljoen winnen die euro in godsnaam dan maar gebruikt mag worden om er honger en kindersterfte mee te bestrijden. 
Misschien is het weer eens tijd om te spelen dat we een beschaafd volk zijn. Wie speelt er mee? Is het denkbaar dat 12 september 2012 de geschiedenis ingaat als de dag dat de beschaving en de naastenliefde zegevierden, de dag dat we eensgezind met mes en vork aten? 

Over de kleur die het nieuwe kabinet zal gaan krijgen wordt intussen druk gespeculeerd. 
Cyaankleurig? Lila? Oranje? Blanje? Bleu? 
Als we op de peilingen afgaan staat ons hoe dan ook een veelkleurige coalitie te wachten. Door veelvuldig gebruik van mijn verfdoos weet ik dat als je teveel kleuren in gelijke delen mengt, je een een vies bruin overhoudt, een ongezonde leverkleur. 
En wie houdt er van lever?

woensdag 25 juli 2012

Midges en haring



De tweedwevers op Harris heten allemaal MacLeod, zonder directe familie te zijn. Ze mogen allemaal graag een demonstratie geven op hun weefgetouw. Op Harris zijn het bijna zonder uitzondering mannen. Van de twee vrouwelijke wevers die ik tegenkwam had er één een keurig wit baardje en de ander een venijnige tong. Eén man die ik opzocht was zowel doof als stom. Hij converseerde door middel van een schoolkrijtje waarmee hij hoekige letters kalkte op een kleine lei. Ik merkte dat ik, in een poging me verstaanbaar te maken, de vogelachtige geluiden begon te imiteren die hij maakte. Ook hij heette MacLeod. De MacLeods zijn een wijdverspreide clan, de familienaam is alomtegenwoordig. De machtigste, meest wijdverspreide Schotse clan is die van de midge. De Highland midge (Culicoides impunctatus) is een miniscuul vliegje. De beet van het insekt staat in geen verhouding tot zijn afmetingen, en wat dit gespuis aan bloed aftapt zou je maar al te graag vrijwillig afstaan als je daarmee de zwellingen en jeuk kon afkopen die één beet veroorzaken. Een middel om ze weg te houden of om de beet afdoende te behandelen bestaat niet. De meeste middeltjes die worden verkocht – lotions, sprays, cremes – hebben louter een psychologische werking. Er is geen ontkomen aan deze machtige kwelgeest. Wie in deze contreien rondreist weet al snel: dit land is van de midges. Ze vormen de enige clan die nog een kans maakt om de Engelsen voorgoed uit Schotland te verdrijven.

Na Harris verlang ik ernaar nog éénmaal Tarbert te zien. Het woord 'tarbert' betekent iets als landengte in het Gaelic. Er zijn hier veel landengtes, dus komt de plaatsnaam Tarbert veel voor. Maar in dít Tarbert was ik eerder, in een bijna hiëroglifisch geworden verleden. Ik monsterde destijds met een vriend aan op een kleine haringboot. Drie dagen en drie nachten zaten we op die boot, met als gezelschap het onophoudelijke tjaktjak van de scheepsmotor en drie wonderlijke Schotten. Die drie waren vader MacAlpine en zijn twee zoons, Douglas en Archibald. 'Archie' was de jongste van de twee en tevens degene die de maaltijden aan boord verzorgde. Tien keer per etmaal minstens werd er gegeten, altijd warm, altijd vis. Hier heb ik gezien op hoeveel manieren haring is klaar te maken in hetzelfde geblakerde koekenpannetje. Slapen deden we in toerbeurten. Wanneer iemand behoefte aan een tukje had verdween hij in het vooronder in een nauwe alkoof met een gordijntje ervoor. Tot het sein 'haring in zicht' gegeven werd. Dan was het een en al bedrijvigheid op de boot. Als de school vis met succes was achtervolgd en de op barsten staande netten aan boord waren getrokken stonden we zij aan zij – gehuld in oliepakken en zuidwesters – tot ons middel in de massa wriemelende haring, een wolk uitzinnig krijsende meeuwen boven ons hoofd. Behalve haring zat er makreel in de netten, bijvangst, en nog een groot aantal buitenaards aandoende, buitenissig gekleurde wezens die uit de ondoorgrondelijke wateren van de oceaan waren getrokken. De vangst werd gesorteerd en in het koelruim geborgen. Daarna brak er weer een weldadige rust aan. De boot tjaktjakte verder; tijd voor een gezamenlijke maaltijd. Over het scheepsdek dat bezaaid was met schubben daalden we af naar de kombuis. Schubben plakten als glinsterende confetti aan de traptreden en aan onze zolen. Er werd gegeten en gerust, tot opnieuw het sein 'haring in zicht' klonk. 
Het leven aan boord was goed. We hingen rond op de boeg, uitkijkend over de Firth of Clyde en de horizon, daar waar boven de bergkammen in het oosten een flauw schijnsel was waar te nemen van een verre stad. We volgden de spectaculaire duikvluchten van de jan-van-genten die met hun rapierachtige snavels op haring joegen, bewonderden het gemak waarmee ze zich in zee boorden, als een warm mes in de boter.
De herinnering aan die boottocht is sterk, en het is vanwege die herinnering dat ik in Tarbert ben. Maar de haven is leeg, alle boten zijn uitgevaren. De havenmeester weet me te vertellen dat de MacAlpines na al die jaren nog altijd vissen, op de oude vader MacAlpine na. Maar Douglas en Archibald zitten ergens op zee. Ze keren pas laat terug. 


vrijdag 20 juli 2012

Stornoway



Langs de weg naar Stornoway ligt een schaap, vers aangereden en in de berm gekieperd. Op het asfalt bleef een dramatische plas bloed achter, het dier moet zich tijdens de aanrijding met de hoorns de hals hebben opengereten. Zijn rechteroog staat berustend naar de hemel gericht. 
Het voelt weldadig om hier terug te zijn, op Lewis. Ik bezocht de Outer Hebrides – een groep schaars bevolkte eilanden ten noordwesten van Schotland – zo'n anderhalf decennium geleden voor het laatst. De tijd, ach. Ik reisde destijds rond met de reisverslagen van Samuel Johnson en James Boswell op zak, de dagboeken die ze tijdens hun gezamenlijke reis naar de Western Islands in 1773 schreven. De dagboeken leveren een interessant contrast op tussen de dichter Johnson en diens biograaf; de illustere Johnson die Schotland bereist versus Boswell die 'zijn' Dr. Johnson bereist en iedere kleine parel die aan diens lippen ontvalt ijverig optekent. 
Hun route nareizen bleek ondoenlijk. Omdat de heren te paard rondtrokken, en verder omdat er eind achtiende eeuw nauwelijks sprake was van enige infrastructuur. Tijdens mijn reis, lezend in die dagboeken, stootte ik op een piepklein stenen kerkje, ergens aan zee. Ernaast lag een door gras overwoekerde begraafplaats die hellingsgewijs in zee eindigde. Op een van de door de zeewind aangetaste zerken was de datum nog goed leesbaar: 1773. Het lezen van die datum bezorgde me een kleine rilling. Hier was iemand begraven wiens stem al eeuwenlang niet meer klonk, onder een steen die door de ongenaakbare tijd als een stuk perkament was aangevreten. Tegelijk las ik in een boek, uit exact dezelfde tijd, waaruit een stem sprak, net zo levendig en fris alsof hij naast me klonk.
Ik laat de plas bloed achter me, vervolg de weg naar Stornoway. Her en der staan de bescheiden huisjes waar de wolwevers van Harris en Lewis  in werken. Meest mannen zijn het, die van de wol van de kleine, taaie Scottish Blackface-schapen de befaamde Harris-tweed fabriceren op hun handweefgetouwen terwijl de Atlantische regen onafgebroken op hun leistenen daken roffelt. 
Ik passeer nog een laatste hoopje turf dat ligt te drogen, een zandgroeve en een golfterrein. Dan doemt Stornoway op, een onaanzienlijk kuststadje dat vooral van militair-strategisch belang is. Ik heb er eerder al eens overnacht maar kan me van het hotel niets anders herinneren dan dat de servetten aan  de ontbijttafel gebloemd waren. Wat ik me wel bijzonder scherp herinner is het verhaal over de Iolaire, een gebeurtenis die in het geheugen en de harten van de bewoners hier gegrift staat. De Iolaire was een marineschip dat een week na kerstmis 1918 de oversteek maakte van het Schotse vasteland  naar het eiland Lewis. De opvarenden van de Iolaire waren huiskerende soldaten. De inkt van het vredesverdrag in Versailles was nog nat, dit waren de weinige gelukkige strijders die de slagvelden van Verdun en Ieper hadden overleefd en die eindelijk naar hun families konden terugkeren. Ze hadden de haven van Stornoway al in zicht, toen om nooit opgehelderde redenen de H.M.S. Iolaire water maakte en zonk, op enkele honderden meters voor de kust, in het zicht van de haven en in het zicht van menig familielid dat op de kade stond te wachten. Maar liefst tweehonderdenvijf van de tweehondertachtig opvarenden kwamen om. Wat in de dagen daarna aanspoelde op het strand van Lewis, naast de vele lijken, waren vooral kerstgeschenken en speelgoed dat de soldaten hadden meegebracht voor hun kinderen. Extra schrijnend was het verhaal van een familie uit Portnaguran die al drie zoons had verloren in de oorlog en hun vierde verloor bij de ramp. In de gesloten eilandgemeenschap werd over het drama nauwelijks gepraat. De vrouwen droegen nog generaties lang zwart.

zondag 15 juli 2012

The Burren (II)



De wind zuigt en duwt, brengt wat lichte regen uit het zuiden. Een kleine, haast pootloze terriër stapt goedgemutst O’Donoghue’s bar in waar hij speciaal wordt aangetrokken door de naakte onderbenen van een groep Spaanse fietsers. Iedereen die langs de kliffen van The Burren – een maanlandschap ten zuiden van Galway – de nacht doorbrengt begeeft zich in de avond naar O’Donoghue’s, de enige bar in de wijde omtrek. Ze staat zelfs op de streekkaarten aangegeven, zoals de dolmen en kastelen gemarkeerd zijn. De Ierse pubs zijn wereldvermaard om hun combinatie van sing, drink en talk. Maar in deze door toeristen bezochte streek worden de pubs bezocht door een nieuw slag drinkers. Niet de traditionele talker is hier in de meerderheid maar de schrijvende drinker. De helft van de Guiness slurpende bezoekers heeft een blocnote voor zich liggen en maakt aantekeningen. Over het Ierse landschap, het Ierse bier, en over elkaar. In veel van die aantekeningen zal een poging worden gedaan om diepte te beschrijven, de angstwekkende diepte van de kliffen die men langs deze kustweg op weg naar The Burren passeert. Is het mogelijk om diepte al schrijvend te verbeelden? Kan men een medemens hoogtevrees bezorgen door het verloop van een rotswand te beschrijven?
Als het met regenen stopt besluit ik alsnog naar het zuiden te rijden. Zware wolken vergezellen me. Onafgebroken schuiven dikke pakketten cumulonimbus langs de hellingen, met prachtige vergezichten als resultaat. De avond valt. Ik besluit te overnachten in een piepkleine hostel in Ballinskelligs, ergens op de uiterste punt van Iveragh. Het strand is er langgerekt, on-Iers eigenlijk, en gaat landinwaarts over in zachtgroen gras, heuvels en taartvormige bergen.
Aan de inn-keeper vraag ik of het mogelijk is om Puffin Island te bezoeken. Volgens mijn reisgids is Puffin Island een nagenoeg kale rots in zee waar in grote getale papegaaiduikers – ‘puffins’ in het Engels – nestelen. Maar de weinig hartelijke inn-keeper ontkent ten stelligste dat er papegaaiduikers zijn op papegaaiduikerseiland. Ik dring aan maar hij herhaalt slechts zijn antwoord: 
‘The’re no puffins on Puffin Island.’
En zo hebben al die duizenden papegaaiduikers ongelijk gekregen van een hosteleigenaar uit Ballinskelligs.
Ik bewoon het achterste gedeelte van het huis, waaraan verder nog een winkeltje en een woonhuis zijn gebouwd. De enige andere gasten zijn een Franse studente uit Toulon en een zestigjarige Nederlandse Australiër, een bedaarde man met witte baard. De man is al naar bed. Omdat de Française en ik de keuken daarmee tot onze volledige beschikking hebben, hebben we die maar in beslag genomen met was- en beddengoed, dat nu hangt te drogen boven het fornuis en de kachel. We maken wat te eten, drinken koffie, praten. Met de regen op het dak voelt het aan alsof we een gezin zijn: pa en ma die nog wat opblijven terwijl hun kind van zestig boven slaapt.