maandag 19 november 2012

Tante nonneke



De katholieke kerk maakt zware tijden door. De berichten over misbruik zijn veelvuldig en bijna wekelijks komen er nieuwe verhalen bij. De kerk bleek haar adagium ‘Wie zijn kinderen liefheeft kastijdt ze’ nog veel serieuzer te hebben genomen dan menigeen al vermoedde.
Hoeveel reputatieschade kan de kerk eigenlijk aan? Een van de reacties op de vloed aan onthullingen is die van mensen, niet per se gelovigen, die het beeld van een door en door verdorven kerk proberen te nuanceren. Ze doen dat door te wijzen op de moedige, zelfopofferende geestelijken die al of niet in stilte goede werken verrichtten, zoals paters die onder moeilijke omstandigheden lepra, honger of analfabetisme bestreden.
De vraag blijft of tien goede werken opwegen tegen één slecht, maar de nuancering gaat bovendien voorbij aan de hoofdzaak. Die is dat de kerk als instituut zozeer verweven is - en altijd is geweest - met macht dat er automatisch machtsmisbruik uit moest voortvloeien. Iets van die macht brokkelt nu af en dat lijkt me een goede zaak.
De macht van de kerk is voelbaar geweest in mijn familie. Diverse vaalbruine foto’s in het familiealbum laten verwanten zien in kloosterdracht, zoals de foto – de enige - van mijn tante nonneke. Tante nonneke was een tante van mijn moeder, mijn oudtante dus. Vanaf haar vroege jeugd had ze in een klooster gezeten en ze was legendarisch om haar bescheidenheid en zachte inborst. Er hing een waas van engelachtigheid om haar heen. We bezochten haar soms in het klooster in Breda, waar ze zuster Clara heette. Die naam stond op een groot bord in de ontvangsthal van het klooster. Haar echte naam heb ik nooit te horen gekregen. Mijn moeder sprak haar kloosternaam met onverholen ergernis uit maar tante zelf was fier op haar naamsverandering. Ze mocht ons ontvangen in een speciale familiekamer waar op fluistertoon diende te worden gesproken en waar een zuinig kopje koffie geschonken werd. De spreektijd was gering, de sfeer - het moet gezegd - die van een gevangenisbezoek.
Bij heel bijzondere gelegenheden mocht ze wel eens mee naar buiten genomen worden. We namen haar dan in de auto mee om ergens wat te gaan drinken. Dat was een beetje alsof je een uitstapje maakte met ET aan boord. In de wereld buiten het klooster was zuster Clara volledig ontheemd, als een diepzeevis die vanuit de troggen van de oceaan in het volle zonlicht op het dek van een boot is getrokken. Níets begreep ze van de wereld buiten het klooster of wat er in gaande was. Met grote ogen van verwondering liet ze zich daar in rondleiden. Haar frêle, in kloosterkleren gestoken gestalte detoneerde hevig met de buitenwereld en ze hield niet op met uit te roepen dat ze beslist op tijd terug in het klooster moest zijn. Ze was als een klein verdwaald meisje.
Dat had iets ontroerends, tot ik begreep waarom dat was. Mijn oudtante praatte en gedroeg zich als een klein meisje omdat ze dat meisje wás. Het klooster had haar, door haar op veel te jonge leeftijd op te nemen en van de wereld af te sluiten, in haar ontwikkeling gestopt. Ze hadden haar fysieke ontwikkeling gestopt door haar lichaam onder vele lagen stof te verbergen, door dat lichaam te verbloemen en de belangrijkste functies ervan te ontkennen: het lichaam dat lucht en licht wil, dat aangeraakt wil worden, kinderen voortbrengen. En ze hadden haar mentale ontwikkeling gestopt door haar elk initiatief te ontnemen, door haar psyche te beroven van de intellectuele vrijheid die wij tegenwoordig zo hoogachten, onder andere door haar geestelijk voedsel te beperken tot het eenzijdig menu van de bijbelse doctrine, besloten in twee loodzware gangen van een oud en een nieuw testament, het boek dat ze dagelijks tot zich nam.
Hoezeer ik op mijn tante nonneke gesteld was en hoezeer ik ook haar engelachtigheid bewonderde: de puurheid van mijn tante was vooral het gevolg van paternalisme en ongezonde afzondering, van indoctrinatie en vrome ontkenning. Buiten de kloostermuren, in het echte leven, had ze haar onbevangenheid nooit in stand kunnen houden.
Om in te zien hoezeer de term machtsmisbruik hier op zijn plaats is hoeven we onszelf alleen maar voor te stellen dat wij, anno 2012, onze eigen kinderen op dezelfde wijze zouden afzonderen van de wereld, ze van hun vrijheid zouden beroven en ze indoctrineren met één zienswijze, één perspectief op de wereld. Niet voor niets zou de rechter in zo’n geval ingrijpen; het is een vorm van machtsmisbruik en kindermishandeling, nauwelijks minder wreed dan het seksuele misbruik.
Natuurlijk, wie het beeld wil bijstellen van een door en door geperverteerde kerk heeft de beschikking over talloze verhalen van moedige, zelfopofferende geestelijken die al of niet in stilte goed deden. Dat laat onverlet dat we ons moeten willen distantiëren van het instituut - zij het niet van de gelovigen. De macht die dat instituut zo lang kon uitoefenen ging gepaard met structureel machtsmisbruik. Daarvoor is het niet genoeg om te wijzen op al degenen die niet misbruikten. Het beeld van de kerk willen nuanceren of bagateliseren is een groot onrecht ten opzichte van mensen als mijn tante nonneke. En de velen die nog steeds door de kerk of soortgelijke instituties worden gekneveld, gehersenspoeld en structureel in hun ontwikkeling worden gesmoord. Of seksueel misbruikt.

dinsdag 30 oktober 2012

Vaders



Je hebt biologische vaders, praktische naar-school-breng-vaders en vaders die je geestelijke vaders zou kunnen noemen: schrijvers die mede de zorg voor je intellectuele ontwikkeling op zich namen. De dood van sommige schrijvers zoals Reve, Wolkers, Lucebert (sinds gisteren is daar nu Bernlef bijgekomen), heeft me daarom wel lichtjes geshockeerd, niet zozeer emotioneel maar omdat ze vanwege hun onderbroken levens een tijdslijn onderbraken in mijn eigen leven. Harry Mulisch hoort daar bij, op zijn manier. Vandaag precies twee jaar geleden overleed de schrijver. Hij was de laatste van het machtige hoopje - de eeuwige drie-eenheid Hermans-Reve-Mulisch – om heen te gaan en ter gelegenheid van zijn overlijden kwamen deze week twee dagboeken uit. Het eerste is de uitgave ‘De tijd zelf’ met als kern 22 pagina’s die de opzet vormen van een verhaal en dat verder grotendeels bestaat uit kladjes, schetsen en commentaar daaromheen. Het tweede heet ‘Logboek’ en bevat de aantekeningen die Mulisch bijhield ten tijde van het schrijven aan De ontdekking van de hemel. Ik heb niet bijster veel met zijn vermeende magnum opus De ontdekking van de hemel, of de internationale bestseller De aanslag, maar des te meer met Het stenen bruidsbed, De pupil, en Voer voor psychologen.
Van Mulisch’ begrafenis, die in zijn geheel op televisie werd uitgezonden, is me vooral het regelmatige plokgeluid bijgebleven, iedere keer als een handvol zand van de rouwenden –zijn dochters, Conny Palmen, Marcel van Dam en nog veel anderen - diep in de grond de kist raakte. Het was ook bij dat televisieverslag van de begrafenis dat ik zag dat Harry Mulisch in precies dezelfde kist begraven werd waarin mijn vader enkele dagen daarvoor begraven was: model Eco 2A. In de klapper met kleurenfoto’s van het uitvaartbedrijf wordt model Eco 2A omschreven als ‘een eenvoudige kist van onbehandeld ruw grenenhout met dito grepen’. Een pompeuze aankleding zou in het geval van mijn vader ook een absurditeit en een aanfluiting zijn geweest. Hij was een man zonder franjes en de kist was geheel overeenkomstig zijn stijl van leven: uiterst eenvoudig. In het geval van Mulisch zou je model Eco 2A een laatste beroep op de bescheidenheid kunnen noemen. Op mijn vaders begrafenisplechtigheid, gehouden op een zonnige dag, is hij door mij omschreven als een man van weinig woorden. Had ik een elegie aan Mulisch’ graf voorgelezen dan had ik Mulisch een man van veel woorden kunnen noemen. Hij schreef ze niet voor mijn vader die, voor zover ik weet, in zijn leven niet één boek las.
Mulisch overleed op 30 oktober 2010 rond acht uur 's avonds op 83-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. Getuige het dagboek waaraan hij werkte had hij nog plannen. Had de kanker hem niet gedwarsboomd dan had hij misschien nog een groot of klein werk tot stand kunnen brengen. Ook daar kon de tegenstelling niet groter zijn; mijn vader stierf omdat hij geen plannen meer had, behalve het plan om te sterven. Nu ze beiden dood zijn zijn de meeste van die tegenstellingen opgelost zou ik denken, of onbelangrijk geworden. De dood is de grote gelijkmaker. Dat is het aardige van moeder natuur: ze bouwt met dezelfde stukjes lego soms eenvoudige huisjes, soms imposante kathedralen, maar uiteindelijk worden we allemaal weer in dezelfde doos opgeborgen. Tot er morgen weer iets nieuws gebouwd moet worden. Misschien dat ergens in de speelkamer van moeder natuur mijn vader en Harry Mulisch bij elkaar zullen komen om samen een groot of een klein werk tot stand te brengen.

dinsdag 23 oktober 2012

Een door de wind voortgedreven god



Van alle dichters die je leest is er één waarbij je je afweer laat zakken, één die je steeds opnieuw ter hand neemt om met gesloten ogen te herlezen. Niet omdat hij het best bij ons past, want we hebben tenslotte al die honderden of duizenden andere dichters niet gelezen. We kiezen hem zoals we een geliefde kiezen: omdat hij ons zijn aandacht schenkt en zijn oog liet vallen op ons binnenste. We hebben allemaal een dichter nodig die ons begrijpt.
Dichters zijn het gewoon om verbanden te zoeken en betekenis te geven aan dingen die - schijnbaar- zonder betekenis zijn. Maar wat nu als de natuur zélf aan het dichten slaat? Wat als de natuur haar zwijgen opheft en ineens de taal van de poëzie gaat spreken? Een paar jaar geleden liep ik door een bos. Ergens aan de rand ervan kwam ik ineens voor een grijs, rechthoekig monument te staan. Het was opgericht ter nagedachtenis aan drie Engelse piloten die op die plek in de oorlog waren neergestort en omgekomen. Boven de tekst was een vredesduif afgebeeldt met een olijftak in de bek. Onder de namen van de bemanning waren de wings weergegeven, het vleugelvormig militair insigne van de Royal Air Force. Na de tekst op de steen te hebben bestudeerd wilde ik doorlopen, maar al na enkele meters werd mijn oog getroffen door iets dat bewoog op de grond. Tussen de dorre bladeren lag een duif, verschrikt en onmachtig zich te bewegen, met wijd gespreide vleugels, de bek hevig bebloedt. Een luchtmachtgrijze duif, met op de vleugels een stel witte strepen als insignes. Het dier was pal naast het monument neergestort, misschien wel ertegenaan gevlogen. Alles schreeuwde er met zo’n kracht om om met elkaar in verband gebracht te worden dat het me duizelde. En nog steeds als ik eraan denk. Misschien was dit een voorbeeld van wat Oscar Wilde in zijn essay The Decay of Lying bedoelde toen hij schreef ‘Life imitates Art far more than Art imitates Life’, maar of we blij moeten zijn met de natuur die de dichter zijn werk uit handen neemt is maar de vraag.
Veel dichters maken er hun werk van de natuur te duiden, zeker als je tot de natuur ook de menselijke natuur rekent. Zo’n dichter is zeker Tomas Tranströmer, de voorlaatste winnaar van de Nobelprijs voor literatuur. Hij is een van mijn long time favorites. Ik houd zeer van zijn stem. Tranströmer is een natuurdichter, zeker. Maar ook een door de wind voortgedreven god die ergens tussen leven en dood in verwijlt. Troostrijk en smartelijk is het vanwaar hij zijn gedichten schrijft. Droomzuchtig tuimel je met hem door steden en bossen, dwars door de geschiedenis van het leven én het sterven der dingen, want Tranströmer begrijpt: het leven vieren kan niet zonder de dood erbij uit te nodigen.

Op een zijspoor een lege treinwagon.
Stil. Heraldisch.
Met de reizen in zijn klauwen.

Dode dingen tot leven wekken, zoals hier een lege treinwagon. Aan ze schudden tot ze voorzichtig oogknipperend wakker worden en - heel even - bezield raken. Ik ken genoeg andere dichters die gul of vol gulzigheid het leven beschrijven. Smakelijke dichters. Maar ze maken vooral leven om de dood te verjagen. Tranströmer houdt zich liever op tussen de spleten en kieren van het leven dan in het volle zonlicht en tussen het gekrakeel van de anderen. Tranströmer lezen is meedrijven op de adem van de dood, die magnifieke, al-begrijpende moeder. Het is diep inademen, jezelf krachtig afzetten en je vervolgens in een Zweeds woud of ergens in een baai op de Lofoten terugvinden. Je staat er op een klein kerkhof, met zeegras woelend aan je voeten, een zachte wind die aan je kleren trekt. Je bent volstrekt alleen, maar zonder de levenden te hoeven missen want je bent een door de wind voortgedreven god.

zondag 7 oktober 2012

Rumoer



Een vreemd moment was dat vandaag, toen ik de kamer inliep en me ineens realiseerde dat alle geluid om me heen verstomd was. Helemaal niets was er te horen; geen kinderen op straat, geen auto´s, ook geen gestamp van het veldje verderop waar ze een tennisbaan aanleggen. Zelfs de vogels waren stil en nergens te bekennen. De enige beweging buiten was het vredig, zwijgend wuiven van wat loof in de tuin.
Het moment duurde zo lang dat ik de mogelijkheid begon te overwegen van een chemische bom die alle leven op straat gedood had, zo allesoverheersend was de stilte. Op tafel lag een stapel ongelezen kranten, het bijeengespaarde rumoer van een week of wat. Aan bed gekluisterd door griep als ik was geweest tijdens de afgelopen dagen had mijn hoofd niet erg naar kranten gestaan, hoogstens naar de laatste roman van Julian Barnes.
Ik schoof de stapel naar me toe en zette me aan het lezen. Veel van dit inmiddels ruimschoots achterhaalde nieuws betrof nog steeds de recessie die, zo begrijp ik, inmiddels alweer in een recessie verkeert. Je hoort of leest trouwens weinig over de échte reden van de recessie: welvaart. Of zou de gemiddelde Afrikaan of Aziaat niet de schouders ophalen bij het nieuws dat wij in Europa van volle naar halfvolle melk over moeten gaan? Komen ze daar mooi van hun vetzucht af, zal hij hoogstens denken.
Ik lees verder. Een man uit het Brabantse Diessen slaat een inbreker in zijn huis dood. Half Nederland juicht, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voorop. En in het Groningse dorp Haren vond een kleine veldslag plaats nadat via Facebook was opgeroepen tot een feestje. Vanwege deze zogenaamde slag om Haren kwam de rol van de sociale media onder vuur te liggen.
Ach, ik weet nog hoe blij we met die rol waren toen er een jaar of wat geleden in Egypte een revolutie mee werd beslecht. Zelf maak ik maar matig gebruik van al die sociale media maar als we elkaar nog berichten per postduif zouden sturen, zouden we dan bij elk ongunstig bericht overwegen om de postduif te slachten? Elk communicatiesysteem kent zo zijn uitwassen die we grootmoedig op de koop toe dienen te nemen: we kunnen het bijna niet meer stellen zonder e-mail maar we kunnen heel goed zonder spam. We zijn blij met de telefoon: we zijn niet blij met hijgers en telemarketeers. Een kwestie van schiften.
Nog maar een krant proberen. Om de volgorde bekommer ik me niet al te veel. Europees parlementsvoorzitter Martin Schulz veroordeelt de inhoud en verspreiding van Innocence of moslims, de film die de profeet Mohammed in een kwaad daglicht stelt. Waarom, zo vraag je je af, laat deze politicus het niet bij een inhoudelijke veroordeling? Dat de film een monument is van slechte smaak lijkt trouwens helemaal niemand te betwijfelen, maar wat zou je dan  graag zien dat onze volksvertegenwoordigers met hetzelfde vuur het recht op vrije meningsvorming verdedigen als orthodoxe moslims hun profeet.
En topcrimineel Willem Holleeder gaat in College Tour optreden. Hij had al een column in het kwaliteitsblad Nieuwe Revu gekregen dus dit was een logische volgende stap. De volgende zal zijn dat hij te zien is in Sterren Springen want van crimineel tot cultfiguur is een korte weg, zeker in dit mediatijdperk. Het laat zich alleen wel moeilijk rijmen met de bijval die een man uit Diessen krijgt wanneer hij een inbreker dood slaat.
Ik keek weer uit het raam, voor alle zekerheid. Nog altijd niets te zien of te horen. De bom had zijn werk grondig gedaan. Het laatste artikel waar mijn oog aan blijft haken gaat over haaien. Nieuws over dieren stemt me meestal blij maar deze keer niet. Australië, lees ik, overweegt alle grote haaien in haar kustwateren preventief te gaan doden. Omdat er nogal wat dodelijke slachtoffers vielen onder badgasten de afgelopen jaren. Ik ben voor het preventief vaccineren tegen griep maar iets in mij verzet zich hevig tegen het idee van het afschieten van weliswaar gevaarlijke maar verder volmaakt onschuldige dieren. Volgens hetzelfde principe kun je besluiten om alle in het wild levende tijgers preventief af te schieten, en alle dierentuintijgers erbij want ook in dierentuinen vallen slachtoffers. Laatst sprong een vent een tijgerkooi binnen en werd daarbij half opgevreten. Zeker, hij was helemaal vrijwillig die kooi ingesprongen, maar is dat niet precies wat die badgasten doen, zich vrijwillig binnen het territorium van levensgevaarlijke dieren begeven?

Ik schuif de stapel kranten terzijde en ga voor het raam staan, vastbesloten te wachten tot er zich iets roert. En ja hoor, na een minuut of wat schuift er eindelijk een wandelaar in beeld, meteen gevolgd door een fietser met een aktentas achterop zijn snelbinder. Een busje met het opschrift ´Aardappelen van Piet´ valt luid klepperend de straat binnen, daarmee definitief de ban van de stilte doorbrekend.
Het rumoer hernam zich, ook hier.

maandag 24 september 2012

Stadsliefde



Wanneer ik langere tijd achtereen in een vreemde stad heb doorgebracht krijg ik een geweldige aandrang om het platteland op te zoeken, om vergezichten te zien, bergen en bossen, de zee, de onbewoonde randen van de wereld. Die reactie is waarschijnlijk niet zo ongewoon. Ongewoner is wellicht het gevoel dat steden me bezorgen, en altijd bezorgd hebben. Dat is het gevoel dat ze tijdelijk zijn.
Natuurlijk, er is genoeg tijd om er op een terrasje te zitten en passanten gade te slaan. Er is ook ruimschoots genoeg tijd om door straten en parken te dwalen, om ergens een kop koffie te drinken of een paar nieuwe zomersandalen uit te zoeken. Die tijd is er, zeker. Er is zelfs tijd genoeg om in een stad geboren te worden, om er een gezin te beginnen en er pas na een lang, kinderrijk leven te sterven. Maar op een dag zál die stad verdwenen zijn. Het kan enkele duizenden jaren duren of een paar miljoen, maar op een dag is die stad er niet meer. Dat gevoel heb ik bij alle steden. Behalve bij Parijs.
Ik heb Parijs vaak bezocht en er ook ooit een paar maanden achtereen geleefd. Ik doorkruiste haar in die tijd vooral te voet, onvermoeibaar, van noord tot zuid en van links naar rechts. Parijs slaagde er toen in met me te doen wat tot dan toe geen enkele andere stad gelukt was: ze gaf me het gevoel groter te zijn dan een stad en veel meer dan een toevallig, tijdelijk samenraapsel van stenen en mensen. Ze was onvatbaar groot, vele malen groter dan het leven dat onophoudelijk door haar heen krioelde.  Ze leek aan de tijd en de verbeelding te ontsnappen. Ik liep er door zonovergoten parken en langs helverlichte boulevards, ik verkende afgelegen pleintjes en geheime tuinen, snuffelde er aan brievenbussen. Ik bezocht alle musea, alle kerken en bioscopen, at er in studentenmensa´s, snoof er de geur van de regen op. Ik was - of voelde me toch - een man met een missie.  Die missie was: de stad inventariseren. Ik had het plezierige, zij het licht onwezenlijke gevoel een stad te beheren, een beetje zoals gods tuinman het paradijs beheert. Maar Parijs bleek niet te beheren, zomin als het paradijs waarschijnlijk te beheren valt. Ik ontdekte dat Parijs zich niet laat toe-eigenen: dat ze altijd weer aan je greep zal ontsnappen. Omdat ze van niemand is. Parijs behoort alleen zichzelf toe. Ze heeft lak aan de tijd, of is er een raadselachtig verbond mee aangegaan. De zon schijnt er helderder, de regen is er bruin van melancholie en de sneeuw valt er dikker, plechtig haast.
Natuurlijk is dat maar de helft van het gezicht dat Parijs heet. Ze heeft ook een grimmige, groezelige kant.  Ergens moet er van haar een duplicaat worden bewaard, een Dorian Gray-achtige kopie waarin het wemelt van de heroinehoertjes en daklozen, werkeloze jongeren en vereenzaamde bejaarden, van woedende emigranten die auto´s in brand steken en van verstijfde lijken die met de buik omhoog uit de Seine worden gevist.
Als ik bij mijn herinneringen aan Parijs een gelijkgestemde ziel zoek lees ik Stadsliefde, scènes in Parijs van Adriaan van Dis. De schrijver woonde jarenlang in de Franse hoofdstad. Het eerste adres dat hij er bewoonde, in de rue du Cherche-Midi, is toevallig om de hoek waar ik verbleef. Van Dis bewandelde en befietste Parijs, stelde zich de levens voor achter al die gesloten ramen en deuren, bezocht zowel de musea als de banlieues. Hij had evenveel oor voor fundamentalistische oproerkraaiers als hij oog had voor muizenpootjes op een stoffige vensterbank. Hij verdiepte zich in kaalkopracisten én bestudeerde de spiegeling van een gevel op een nat trottoir.
En hij was er eenzaam. Leven in een stad die alleen zichzelf toebehoort betekent leven in een stad vol geesten. Van Dis voerde er veel gesprekken met geesten, de geesten van schrijvers vooral. Het gevaar bestaat dan dat je zelf tot een geest verwordt, zoals de dwalende engel Damiel uit de film Himmel über Berlin, die ik trouwens destijds in een bioscoop zag in de smalle rue St. André des arts. Dat gevaar, om zelf tot een geest te verworden, bestreedt Van Dis door -zoals hij het zelf verwoordde -  ´een permanente integratiecusus te volgen, door zich te mengen met gek en goed en hoog en laag´.
Van Dis kondigde onlangs aan Parijs te gaan verlaten. Hij ruilt, net als ik destijds, de stad in voor het platteland. Misschien omdat hij toch het machtige Parijs moe is geworden, net als ik toen. Ik kon er tenminste niet meer tegen. Ik moest weg, de stad uit. Ik was moe van haar oogverblindende architectuur, haar eindeloze reeksen bruggen, haar eeuwige monumenten en tuinen, haar musea en stromen mensen. Ik kon daar niet meer tegen. Ik moest er weg, op zoek naar nieuwe, tijdelijke vergezichten. Wie ook  dat verlangen kent naar een tijdelijk vergezicht moet op reis, of Stadsliefde lezen.

zondag 16 september 2012

Poëzie in beeld


Poëzie is dun gezaaid op televisie. Je hoort er soms wel eens iemand spreken over ´pure poëzie´maar het betreft dan niet de dichtkunst maar een fraaie boogbal van Robin van Persie, of de contouren van het laatste model Porsche of Ferrrari. ´Pure poëzie´ is een zinnetje dat je zelfs meestal gebezigd hoort worden door mensen die nooit poëzie hebben gelezen, en die nooit zullen lezen.
Daar zou je je aan kunnen storen, zij het dat je je dan ook kunt storen aan mensen die een woord als´hemels´gebruiken zonder ooit de hemel van binnen te hebben gezien.
Toch is het mogelijk, beelden op televisie die iets opleveren dat sterk een gedicht benaderd. Zo zag ik ooit een documentaire over een kostschool voor muzikaal begenadigde jonge meisjes, ergens in het Angelsaksische koninkrijk. De meisjes, allemaal in eendere kostschoolkostuums - plooijurk, blazer met logo en hoog opgetrokken gebreide kousen - werden gefilmd tijdens hun harp- en pianolesssen. Ze werden ook gevolgd op een wandeling vlak buiten de school. Het was winter, het had hevig gesneeuwd en een zware mist hing boven het zachtglooiende landschap. Een groep van zo´n zes meisjes liep ingehouden pratend het pad af toen een van hen een kleine  kreet slaakte. In de sneeuw voor haar lag een roodborstje, door de kou bevangen. Voorzichtig tilde ze het diertje op, de andere meisjes kwamen om haar heen staan. Het verenbolletje werd fluisterend doorgegeven van hand tot hand. Meisjesmonden bliezen er de warmte in terug  tot het diertje langzaam tot het land der levenden terugkeerde. Plotseling vloog het op uit de bescherming van een meisjeshand en verdween in de mist.
Het was poëzie in beelden. Ook hierom: er was geen enkele kunstgreep toegepast om de kijker in vervoering te brengen. Nergens was een voice-over gebruikt, er was geen smeltende vioolmuziek of een ander effect te bekennen om het mooier te maken dan het was. Ook dat is een kenmerk van ware poëzie.
Je denkt: als dat mogelijk is met beelden kan het dan ook met kleuren, met smaak wellicht? En hoe zit het met geur? Is het mogelijk poëzie aan geuren te onttrekken? Dicht in de buurt komt misschien dit: een Engelse bibliothecaresse die om haar - veelal antiquarische - boeken te indexeren niet volstaat met een catalogusnummer en een genrevermelding. Ze legt een staalkaart aan waarin ze de geuren van de gelezen boeken vermeldt. Een van de notities die ze maakt na het opsnuiven van een boek is deze: ´Feels like a hug from an elderly person


maandag 3 september 2012

Een weeshuis voor afgedankte teksten



In de wereld van de literatuur bestaat geen honger. Het is er nooit koud, de ijzigste omstandigheden hebben geen vat op je en je kunt er tot in de diepste hellekringen afdalen zonder een brandblaar op te lopen. Literatuur slaagt erin zelfs de meest bittere smart en de grootste rampspoed tot schoonheid te transformeren.
Dat, zou je kunnen zeggen, is een gevaar. Want hoe goed de literatuur ook het echte leven benaderd: ze blijft er een zeer beperkte weergave van, een facsimile. De felste pijn, de ellendigste afzondering en zelfs de folterbank die de liefde is; alles wordt door de literatuur omgezet in een draaglijke versie, te nuttigen met een rijstwafel, genoeglijk opgekruld in de bank.
Die eigenschap, de grootste ontberingen van het leven draaglijk voor te kunnen stellen, is tevens wat de literatuur zo succesvol maakt. De afgezwakte, uiterst verteerbare bewerking van het leven die ons wordt voorgeschoteld ervaren we als troostrijk. We houden ervan als het leven inzichtelijk wordt gemaakt en onze pijn óverzichtelijk. 
Van literatuur wordt wel beweerd dat ze empathischer maakt. Het langdurig in het hoofd en de omstandigheden verkeren van een ander persoon zou tot een groter inlevingsvermogen en meer compassie leiden. 
Sceptici brengen daartegenin dat literatuur juist een omgekeerd effect heeft: alleen al de daad van het lezen zelf zorgt ervoor dat mensen in zichzelf gekeerd raken. Lezers zijn wereldvreemde dromers die zich overgeven aan dadenloosheid en een al te rooskleurig wereldbeeld.
Als ik voor mezelf spreek: het was voor mij een geweldige geruststelling – vooral als puber – om te ontdekken dat zich in de hoofden van die anderen (lees: schrijvers) dezelfde wirwar aan gevoelens en gedachten afspeelden als in dat van mij. Ik mocht dan van een verre planeet zijn afgedaald om tussen vreemde wezens te verkeren: ik was niet de enige.
Literatuur lezen is tevens wat mij aan het schrijven bracht. Schrijven is ook een beetje terugbetalen aan een schuld. In dit geval behelste die schuld dat ik over de aard van het mensdom enigszins gerustgesteld ben geworden door het lezen van romans, poëzie, essays, brieven en autobiografieën. En dagboeken. Wat sommige mensen tegen dagboeken hebben is me altijd een raadsel geweest. Dagboeken zijn bij uitstek een plek voor een schrijver om de gedachten te ordenen, de intuitie te scherpen, het hart te luchten. Het is de plek waar hij uit ruwe klei vormen schept, waar hij zichzelf verwondert over zijn grootse inzichten en zijn eigen kortzichtige natuur. Het is de plek waar hij de antagonist uit zijn dromen ontmoet: zichzelf.
Ooit stuurde ik samen met wat gedichten een aantal dagboekfragmenten naar een uitgeverij. Ik verwachtte daar het een en ander van want iemand met gezag en verstand van zaken had mij de uitgever in kwestie aangeraden. Voorspraak dus. De uitgever, die een uitgeefster was trouwens, schreef me over de dagboekfragmenten terug dat ze 'er niet veel in zag'. Ik geloofde haar. Ik liet me destijds vrij gemakkelijk overtuigen door uitgevers, maar dat was omdat ik er nog geen ontmoet had. Wat ik wel raadselachtig vond was het zinnetje dat ze er op liet volgen. 'Misschien', schreef ze, 'is het iets voor een weblog'. 
Ik wist toendertijd niet wat een weblog was (dat wat u nu leest, dus) maar het zinnetje verbaasde me evengoed. Een weblog, dat moest een plek zijn waar woorden die eigenlijk niet voldeden tóch een plaatsje konden vinden. Een soort weeshuis voor afgedankte teksten. En dat wilde er bij mij niet in. Iets is goed of het is niet goed, daar ben ik altijd nogal een purist in geweest. Het doorschuiven van broddelwerk en geknoei kan en mág geen optie zijn. 
Maar u bent gewaarschuwd. U weet nu dat bepaalde mensen in een weblog een prullenbak van de geest zien. Een dumpplaats voor mislukte teksten. Een eettafel waar schrijvers aan hun lezers de kliekjes van gisteren opdienen. 
Wie weet is het nog waar ook. Nogal wat schrijvers hebben niets anders voorradig dan kost van gisteren. Ze serveren u zouteloze lettersoep, klonterige woordenbrij en een plateau met belegen, korstige ideeën na.
Dat zal ik niet doen. U krijgt hier alleen het beste van het beste.