woensdag 18 april 2012

Paashaas




Voor het vossenhol zat een klein, voor het menselijk oog nauwelijks registreerbaar hoopje, diep in elkaar gedoken. Een jonge haas. Hij zat er in het volle zicht, maar zo gecamoufleerd dat je hem makkelijk voor een kluit aarde of een kleine verhoging in het landschap kon aanzien. De kleur van hazenvacht laat zich moeilijk omschrijven, iets tussen grijsbruin en groen in, een heel scala aan aard- en bladkleuren waarmee hij wil zeggen: ‘Nee nee, u vergist zich, ik ben er niet. Loopt u toch vooral door’.
Jonge hazen zijn wonderlijk af. Ze zijn een miniatuurversie van hun ouders, met alle accenten daar al aangebracht; de zwarte vaantjes achter op de oren (lepels, zegt de jager), een toefje wit bij de staart, en dan die gave ring rond de ogen!
Maar met deze was iets aan de hand. Dat gebrek aan alertheid, dat dommelende staren, het beloofde weinig goeds. En dan ook nog voor een vossenhol. Toen hij zich ook nog liet optillen was het in een oogopslag duidelijk: dit dier was niet meer te redden. Onder de tere buik bungelde een tros donkere ingewanden, bijeengeklit en vol zand. Hier viel niets meer te doen. Deze haas was dood, hij wist het alleen nog niet.
Meteen daarop natuurlijk het onvermijdelijke speculeren: was hij al dodelijk gewond naar het vossenhol gebracht, had hij zich daarna weer naar buiten weten te werken? Was hij hier voor het hol gegrepen, of had zich hier zo’n Krimi afgespeeld waarbij de meest voor de hand liggende dader (vos, vossenhol, smoking gun) de  dader helemaal niet was?
Dat was afgelopen Pasen, en nu is het opmerkelijke dat het zich in de tuin van een museum afspeelde, onder de ogen van honderden bezoekers die zich verdrongen rond het werk van een gerenommeerde buitenlandse kunstenaar. Wij waren ook op die kunstenaar afgekomen, conceptuele installaties in steen en hout, tot nadenken stemmende dada├»stische bouwwerken. Maar wij gingen niet naar huis met in ons hoofd al die schitterend in steen en hout tot leven gebrachte idee├źn. Wij gingen naar huis met in gedachten die kleine stervende haas.  

August Tholen