woensdag 6 februari 2019

Forse meningen




Na eerder het Haagse raadslid Arnoud van Doorn heeft nu ook oud-PVV'er Joram van Klaveren zich tot de islam bekeerd. Beiden bedreven bijna een decennium lang keiharde anti-islampolitiek. Conclusie: we maken onszelf belachelijk met het hebben van forse meningen. 'De Koran is een vergif en de islam een ideologie van dood en verderf' is zo'n mening. Joram van Klaveren heeft zich minstens schuldig gemaakt aan het hebben van forse meningen. Zijn huidig inzicht dat de islam de ideale godsdienst is en dat er 'geen God is behalve Allah, en Mohammed zijn Gezant' is waarschijnlijk ook zo'n forse mening.

August Tholen

zaterdag 2 februari 2019

Eigenliefde en testosteron


Ik heb de gewoonte de actualiteit te volgen, maar af en toe is het daarbij net of je een geschiedenisboek aan het lezen bent. Dat komt natuurlijk omdat, zoals het bekende adagium wil, de geschiedenis zich voortdurend herhaalt. Waarom doet de geschiedenis dat eigenlijk? 

Niet zo lang geleden zag ik een aflevering uit de televisieserie Napoleon in Holland. Hoewel ik dankbaar ben voor alles wat enige historische context verschaft heb ik me flink aan die docu geërgerd. Of beter gezegd, niet aan de docu maar aan het onderwerp ervan. Tijdens het kijken drong zich namelijk steeds indringender de gedachte aan me op: waarom verspillen we in hemelsnaam zoveel aandacht en devotie aan ambitieuze, over het paard getilde gekken die er niet voor terugdeinzen miljoenen over de kling te jagen? Waarom schrijven we niet een historie over vreedzame kappers, wasvrouwen, moeders, dichters?

Ik denk daar vandaag opnieuw aan, nu in Venezuela generaal Yanéz is overgelopen naar het kamp van interim-president Juan Guaidó. Een andere generaal, trouw aan Maduro, maakt Yanéz uit voor verrader. Kortom, het bekende verhaal waarin meerdere ingrediënten klaarliggen voor een burgeroorlog, met als hoofdingrediënt opnieuw de eigenliefde en het testosteron van mannetjesputters die van geen wijken willen weten en bereid zijn om in hun tomeloze drift desnoods miljoenen onschuldigen mee te sleuren. Al wat Maduro hoeft te doen om zijn land voor bloedvergieten te behoeden is zich terugtrekken, maar nee, Maduro is belangrijk, belangrijker dan 30 miljoen Venezolanen. 
Het wachten is op de docu over zijn leven.

August Tholen

zaterdag 1 september 2018

Het zand van de kosmos


Ik lees een gedicht van Hugo Claus, hoor ineens zijn typische stem erbij, Claus die Claus voorleest, en ik denk: hoe zou Claus eigenlijk hebben geklonken binnenín Claus, hoe klonk zijn meest innerlijke stem, de stem waarmee Claus alleen tegen Claus sprak?

Nogal wat mensen lijken te geloven dat poëzie over grote emoties gaat: leven, dood, liefde, kortom, de grote beroeringen des levens. Anderen, mensen die daadwerkelijk poëzie lezen, weten dat poëzie ook over de allerkleinste gemoedsgesteldheden en emoties kan gaan. Zelf denk ik geregeld dat poëzie wanneer ze op haar best is een punt bereikt waarop ze zich heeft losgemaakt van de al te heftige aandoeningen. Misschien is dat omdat ik nooit troost of plezier heb gevonden in de poëzie wanneer de emoties op hun hevigst waren, wanneer ik doorwasemd was van gevoel en gevangen in mijn tijdelijke, tobberige dan wel extatische vorm. Het was pas als er enige afstand was gecreëerd dat er ruimte ontstond voor de woorden, als ik er weer in slaagde mezelf van enige afstand te bezien, communicerend met de paar atomen die mijn ziel uitmaken. Naar poëzie grijp je zoals je naar Bach of de wiskunde grijpt, naar het voetbal of de astronomie; omdat het er altijd is, een constante factor in een wereld vol tumult, iets wat het dagblad en de onbetaalde rekeningen en de lekkende dakgoot ontstijgt. Meer in het algemeen kun je stellen dat wie zich aan het schrijven (of lezen) van poëzie zet aan een vorm van zen doet. Poëzie is een vorm van meditatie of bewustzijnsverruiming waarbij je jezelf uit alle macht probeert te concentreren op een punt buiten jezelf, een plek die ver verwijderd is van het alledaagse, een plek waar alles met alles te maken heeft (of: kan hebben) en waar je tijdelijk wat zaken bij elkaar harkt in het zand van de kosmos, zoals Boeddhistische monniken het zand in een zentuin in een tijdelijk patroon harken.

August Tholen

zondag 1 juli 2018

Families belong together



Wie over dwaze politici klaagt klaagt over de democratie, want democratie is nu eenmaal dat weldenkenden en dwazen een gelijke kans moeten krijgen om leiderschap uit te oefenen. Dat het politici vaak aan de benodigde wijsheid ontbreekt is een aloude kwestie, al door Plato aangeroerd. Kan men, zo vroeg Plato zich af, een bewind van wijsheid of wijze mannen (tegenwoordig kunnen daar vrouwen aan toegevoegd worden) vestigen? De vraag leidt uiteraard tot de vraag of er wel zoiets als wijsheid bestaat, en zo ja: of men er voor kan zorgen dat deze wijsheid een politieke macht in handen krijgt. Het doet me denken aan een uitspraak van de yogi/mysticus Sadhguru, die ooit zei: 'Geef me één dag met de wereldleiders en ik zal ze wijsheid van regeren bijbrengen' (ik parafraseer hier uit mijn herinnering). Wijsheid is natuurlijk geen gewone vakbekwaamheid zoals betonvlechten of hartchirurgie dat is, maar is het dan compleet ondenkbaar dat de wijsheid die nodig is om miljoenen te regeren kan (of zelfs móet) worden bijgebracht aan onze toekomstige leiders? Als we van de gemiddelde burger verlangen dat hij een uitgebreid rijexamen aflegt voor hij de snelweg opgaat hoe komt het dan dat wij menen dat uitgerekend voor de hoogste bestuursverantwoordelijkheid geen bekwaamheden zijn vereist, geen andere dan het hebben van een fikse overtuiging? 

Zolang we van onze leiders geen wijsheid of enig moreel kompas eisen zullen dwaze en wrede politici ons lot zijn. Die wreedheid zien we nu in de wijze waarop president Trump immigrantenkinderen scheidt van hun ouders aan de Amerikaans-Mexicaanse grens. Onder de naam Families Belong Together worden massale demonstraties en petities gehouden tegen die barbaarse praktijk. Ik tekende de petitie omdat nee zeggen tegen wreedheid, hoewel bij lange na niet genoeg, het allerminste is wat een mens kan doen. 


August Tholen


zaterdag 17 maart 2018

Gemeenteraadsverkiezingen als lakmoesproef



Aanstaande woensdag worden er gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Gemeenteraadsverkiezingen worden soms lacherig afgedaan als het stemmen over een uitlaatplek voor honden, over of de winkels open mogen zijn op zondag en of er een kunstwerk bij de rotonde moet komen. Gemeenteraadsverkiezingen zouden, kortom, niet over de 'grote' kwesties gaan. Maar verschillen ze daarin wezenlijk van landelijke verkiezingen? Worden in de politiek de grote kwesties niet steevast op elk niveau gemeden? En stemmen mensen niet op alle niveau's eerst en vooral in hun eigen belang? Natuurlijk kun je het uitbrengen van je stem opvatten als iets wat je in het algemeen belang doet, dus in het belang van zoveel mogelijk mensen, ook als je daar toevallig zelf niet bij hoort. Binnen die opvatting is politiek langetermijnplanning. Maar uitgerekend de politiek zelf blijkt daar vaak anders over te denken. Wie wil stemmen op een partij met langetermijnvisie ontdekt al snel dat politici voornamelijk onze directe zorgen adresseren, om de nogal banale reden dat kortetermijndenken meer stemmen oplevert. De politicus die begint over het redden van de hele wereld en zoveel mogelijk mensen tekent zijn eigen ondergang. Dat neemt niet weg dat mijn opvatting van politiek grotendeels hetzelfde is gebleven. Dat wil zeggen, ik geloof dat politiek op ieder niveau de formulering zou moeten bevatten van een visie op de toekomst en - onlosmakelijk daaraan verbonden - onze menselijkheid. Vooral vanuit het perspectief van die menselijkheid bekeken vallen nogal wat onderwerpen waar de politiek zich mee bezighoudt - en waarmee de politiek op haar beurt óns bezighoudt - in de categorie gebeuzel. Wat kan het iemand over vijftig of honderd jaar nog schelen of de hypotheekrenteaftrek in 2018 in stand werd gehouden of niet? Of onze ouderen een, twee of drie jaar eerder konden ophouden met werken en of er 120 of 130 km op de snelweg mocht worden gereden? En terwijl onderwijs, zorg en veiligheid stuk voor stuk uiterst belangrijke zaken zijn: in Nederland zijn ze al zo bovengemiddeld goed geregeld dat we het in de meeste gevallen alleen over marginale verbeteringen hebben, zelden over structurele wijzigingen. Voor mij is politiek eerst en vooral verbonden met fundamentele vragen, zoals: willen we ons gevoel voor solidariteit uitbreiden, liefst naar een mondiaal niveau? Zijn we in staat samen te werken om onze soort (en liefst ook alle andere soorten) te redden? Zijn we bereid om onze gewelddadige neigingen af te zweren? Komen we ooit op een punt waarop we de welvaart en het welzijn van iedereen nastreven? Kunnen we de wereld als een gemeenschappelijk thuis zien en ophouden met het te vervuilen en te vernietigen?
Zelfs mensen die de politiek vooral een pragmatische rol toebedelen zullen moeten toegeven dat deze vragen oneindig veel praktischer van aard zijn dan de onderwerpen waar we nu de krantenpagina's en talkshows mee vullen. En maakt het daarbij uit of we het over politiek hebben op landelijk of op lokaal niveau? Nee. Politiek werkt als een omgekeerde piramide, vanaf de grond naar de top. Politici vinden alles wat wij vinden, maar met flinke vertraging. Wat wij vandaag vinden vinden zij op zijn vroegst morgen pas. En wat de door mij zojuist geformuleerde fundamentele vragen betreft ís er helemaal geen verschil tussen laag en hoog, er is slechts één intrinsiek verbonden systeem. Er is slechts één soort solidariteit, één soort vrede, één economie, één gemeenschappelijk thuis om te redden. Waarom dan niet lokale politiek tot lakmoesproef verheffen voor wat we op nationale en internationale schaal tot stand dienen te brengen? We leven in een tijd waarin er minder en minder ruimte is om aan onze 'zelfzuchtige genen' voorrang te geven, aan materieel gewin of aan kortetermijnproblemen. Het is daarom dat ik denk dat iedereen die in dit tijdsgewricht zijn stem mag uitbrengen, op lokaal of landelijk niveau, en die zijn of haar stem niet uitbrengt op een partij die de wereld zelf tot prioriteit maakt, zijn stem weggooit. De vervuiling en vernietiging van ons gemeenschappelijke huis is daarvan slechts één voorbeeld, zij het een van de meer prangende.
Ik schrijf op deze plek geregeld over natuur. Sommigen zullen daaruit de verkeerde conclusie trekken dat ik me meer om de natuur bekommer dan om mensen. Maar ik máák me helemaal geen zorgen over de natuur. De natuur, die redt zich wel. Ze is alomtegenwoordig, alomvattend en vooral: ze heeft alle tijd van de wereld. Letterlijk. Geef haar een miljoen jaar en ze herstelt geduldig alles wat wij kapot maakten. Waar ik me wel zorgen over maak is over ons, onze soort, homo sapiens. Om onze soort te redden zullen we alle soorten moeten redden, complete ecosystemen, en uiteindelijk de hele planeet. Te beginnen bij ons thuis.

August Tholen



vrijdag 9 maart 2018

Vreemd verschijnsel



'Wie weet hoe en wanneer vogels sterven? (...) Wanneer vertelt een innerlijke klok ze dat het tijd is hun vleugels voor altijd te sluiten? Waarom zie je nooit een dode uil of een sperwer?' 
Die vragen stelt de dichter Michael Krüger zich in de bundel Voor het onweer (uitgave van De Bezige Bij, vertaling van Cees Nooteboom). Ik heb mezelf de vraag over dode en stervende vogels ook geregeld gesteld, samen met de vraag waar alle vogels 's nachts toch blijven (met uitzondering uiteraard van de uilen, die dan op jacht zijn, en de nachtegalen die dan concerteren) en waar stadsvogels heen vluchten tijdens het jaarlijkse vuurwerkgeweld. Alleen, het klópt helemaal niet dat ik nooit dode vogels zie. Hoeveel aangereden vogels heb ik niet op en langs de weg zien liggen, hoeveel dode zeevogels vond ik niet aan het strand, hoeveel merels en lijsters heb ik niet gezien die zich tegen ramen te pletter hadden gevlogen en hoeveel duiven vond ik niet die door een havik of sperwer waren geslagen? Mij schiet ook de nog volledig gave groene specht te binnen die ik samen met mijn kinderen dood aan de voet van een beuk vond, de dode buizerd langs het spoor die ik netjes bij de politie aanmeldde en op liet zetten, de steenuil die ik stervend mee naar huis nam, de kapmeeuw die zich zieltogend door mij liet verzorgen waarna hij alsnog de geest gaf. Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer dode vogels me te binnen schieten. En toch blijf ik mezelf - samen met Michael Krüger - maar de vraag stellen: waarom zie ik nooit dode of stervende vogels? Misschien is de echte vraag: waarom denken we zo hardnekkig dat we nooit dode vogels zien? 
Nu ik het toch over dode vogels heb schieten me ook de vele prachtige prenten van dode vogels te binnen die Charles Donker (1940) maakte, waaronder die van een kerkuil. De ets hangt in het Rijksprentenkabinet. Donker reed in 1993 terug van Extremadura naar Nederland en vond de vogel tussen Niort en Nantes. Hij noteerde: 'Gevonden langs de weg van Niort naar Nantes, over een afstand van ca. 30 kilometer zeker twintig dode kerkuilen (vreemd verschijnsel)'. Inderdaad. Het moet geweldig triest en tegelijk ook geweldig opwindend zijn om zoveel kerkuilen te vinden. En verwarrend. 
Maar genoeg nu over stervende en dode vogels. Werd er vorig weekend nog geschaatst, dit weekend zal het maar liefst 17 graden gaan worden. In de gele olm die voor mijn werkkamerraam staat strijken geregeld paartjes eksters en houtduiven neer om er dode takjes uit te trekken voor hun nest. Waar dood is is leven.


August Tholen

vrijdag 22 december 2017

De sneeuw van weleer



'Mais où sont les neiges d'antan?' (maar waar is de sneeuw van weleer?) is de refreinregel uit een van de bekendste gedichten van Francois Villon (1431-1463), Ballade des dames du temps jadis. Het gedicht gaat over het verstrijken van de tijd, het sterven van al diegenen die ons voorgingen. Terwijl Nederland de afgelopen week bedekt werd onder een dikke laag sneeuw was ik bedolven onder een dikke laag voorvaderen. Met dank aan het internet en de digitalisering van de gemeentelijke archieven. Zonder die archieven zou het verzamelen van genealogische gegevens me minstens maanden, waarschijnlijker nog jaren hebben gekost. En dan nog, dit genealogisch spitwerk is alleen geschikt voor mensen die lijden aan een journalisten- of detectivevirus. Het is fascinerend maar ook uitputtend werk. Gaandeweg begon ik me als een van die speurneuzen van Bellingcat te voelen. Naarmate het werk vorderde stelde ik me daarbij wel meer en meer de vraag: brengt al dat detectivewerk een van al die familieleden ook inderdaad dichterbij? Het is waar dat ik van ze ging dromen; al na een paar dagen begonnen midden in de nacht gemeentelijke registers voor mijn geestesoog op te doemen, geboorte- en doodsafkondigingen, huwelijksaktes en vage gestalten in zwart-wit. Maar hun gezichten ontbraken daarbij, de pregnante details. Eigenlijk, ontdekte ik, ben je als genealoog nauwelijks meer dan een verlengstuk van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Of minder nog, want de ambtenaar die de aktes destijds invulde heeft tenminste nog een van die voorouderlijke gezichten tegenover zich gezien. Hij heeft nog een paar knoestige handen gedrukt, felicitaties overhandigd of wellicht zelfs een traantje weggepinkt bij het noteren van alweer een overleden kind. De genealoog wordt gedreven door een boekhoudkundige behoefte aan ordening; de voorouders moeten kloppen. Hij ordent hun gebeente tot het in de juiste volgorde ligt en de correcte getallen opdoemen. Maar die botten vormen letterlijk en figuurlijk alleen maar het geraamte van het verhaal, terwijl de chroniqueur in mij op zoek was naar de verhalen zelf. De genealoog wil de botten, zou je kunnen zeggen, de chroniqueur het vlees. In hoeverre vertellen die aktes verhalen? Wat vertellen ze over al die levens, die van wieg tot graf en alles daartussenin begeleidt werden in het sierlijk handschrift van gemeentelijke ambtenaren die met even vaste hand berichtten over de heuglijke komst van een nieuwgeborene als over het ontijdige heengaan ervan? De kindersterfte was, zeker naar onze huidige maatstaven, afschuwelijk hoog. Goed, dat weten we, maar weten is één ding. Hoe moet het zijn geweest om aan den lijve te ervaren dat zoveel van je kinderen de volwassenheid niet haalden? Al die kinderen die negen maanden werden meegedragen, die liefderijk werden gezoogd, gevoed, gekust, naar school gebracht, in bed gestopt en voorgelezen, om dan alsnog te worden weggerukt uit de warme omhelzing van het gezin? Kúnnen we ons dat eigenlijk wel voorstellen? Misschien maakt dat genealogie voor de meesten van ons ook tot onbegonnen werk, omdat het een bijna bovenmenselijke verbeeldingskracht vergt om je voor te stellen hoe die voorvaderen elkaar hebben omarmd, hoe ze kolen en hout het huis binnendroegen, hoe ze bang waren voor hun god, hoe ze de koude vingertjes van hun kinderen hebben gekust, of hoe ze, als in het gedicht van Francois Villon, destijds de sneeuw hebben zien vallen, precies zoals wij nu.


August Tholen