zondag 1 juli 2018

Families belong together



Wie over dwaze politici klaagt klaagt over de democratie, want democratie is nu eenmaal dat weldenkenden en dwazen een gelijke kans moeten krijgen om leiderschap uit te oefenen. Dat het politici vaak aan de benodigde wijsheid ontbreekt is een aloude kwestie, al door Plato aangeroerd. Kan men, zo vroeg Plato zich af, een bewind van wijsheid of wijze mannen (tegenwoordig kunnen daar vrouwen aan toegevoegd worden) vestigen? De vraag leidt uiteraard tot de vraag of er wel zoiets als wijsheid bestaat, en zo ja: of men er voor kan zorgen dat deze wijsheid een politieke macht in handen krijgt. Het doet me denken aan een uitspraak van de yogi/mysticus Sadhguru, die ooit zei: 'Geef me één dag met de wereldleiders en ik zal ze wijsheid van regeren bijbrengen' (ik parafraseer hier uit mijn herinnering). Wijsheid is natuurlijk geen gewone vakbekwaamheid zoals betonvlechten of hartchirurgie dat is, maar is het dan compleet ondenkbaar dat de wijsheid die nodig is om miljoenen te regeren kan (of zelfs móet) worden bijgebracht aan onze toekomstige leiders? Als we van de gemiddelde burger verlangen dat hij een uitgebreid rijexamen aflegt voor hij de snelweg opgaat hoe komt het dan dat wij menen dat uitgerekend voor de hoogste bestuursverantwoordelijkheid geen bekwaamheden zijn vereist, geen andere dan het hebben van een fikse overtuiging? 

Zolang we van onze leiders geen wijsheid of enig moreel kompas eisen zullen dwaze en wrede politici ons lot zijn. Die wreedheid zien we nu in de wijze waarop president Trump immigrantenkinderen scheidt van hun ouders aan de Amerikaans-Mexicaanse grens. Onder de naam Families Belong Together worden massale demonstraties en petities gehouden tegen die barbaarse praktijk. Ik tekende de petitie omdat nee zeggen tegen wreedheid, hoewel bij lange na niet genoeg, het allerminste is wat een mens kan doen. 


August Tholen


zaterdag 17 maart 2018

Gemeenteraadsverkiezingen als lakmoesproef



Aanstaande woensdag worden er gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Gemeenteraadsverkiezingen worden soms lacherig afgedaan als het stemmen over een uitlaatplek voor honden, over of de winkels open mogen zijn op zondag en of er een kunstwerk bij de rotonde moet komen. Gemeenteraadsverkiezingen zouden, kortom, niet over de 'grote' kwesties gaan. Maar verschillen ze daarin wezenlijk van landelijke verkiezingen? Worden in de politiek de grote kwesties niet steevast op elk niveau gemeden? En stemmen mensen niet op alle niveau's eerst en vooral in hun eigen belang? Natuurlijk kun je het uitbrengen van je stem opvatten als iets wat je in het algemeen belang doet, dus in het belang van zoveel mogelijk mensen, ook als je daar toevallig zelf niet bij hoort. Binnen die opvatting is politiek langetermijnplanning. Maar uitgerekend de politiek zelf blijkt daar vaak anders over te denken. Wie wil stemmen op een partij met langetermijnvisie ontdekt al snel dat politici voornamelijk onze directe zorgen adresseren, om de nogal banale reden dat kortetermijndenken meer stemmen oplevert. De politicus die begint over het redden van de hele wereld en zoveel mogelijk mensen tekent zijn eigen ondergang. Dat neemt niet weg dat mijn opvatting van politiek grotendeels hetzelfde is gebleven. Dat wil zeggen, ik geloof dat politiek op ieder niveau de formulering zou moeten bevatten van een visie op de toekomst en - onlosmakelijk daaraan verbonden - onze menselijkheid. Vooral vanuit het perspectief van die menselijkheid bekeken vallen nogal wat onderwerpen waar de politiek zich mee bezighoudt - en waarmee de politiek op haar beurt óns bezighoudt - in de categorie gebeuzel. Wat kan het iemand over vijftig of honderd jaar nog schelen of de hypotheekrenteaftrek in 2018 in stand werd gehouden of niet? Of onze ouderen een, twee of drie jaar eerder konden ophouden met werken en of er 120 of 130 km op de snelweg mocht worden gereden? En terwijl onderwijs, zorg en veiligheid stuk voor stuk uiterst belangrijke zaken zijn: in Nederland zijn ze al zo bovengemiddeld goed geregeld dat we het in de meeste gevallen alleen over marginale verbeteringen hebben, zelden over structurele wijzigingen. Voor mij is politiek eerst en vooral verbonden met fundamentele vragen, zoals: willen we ons gevoel voor solidariteit uitbreiden, liefst naar een mondiaal niveau? Zijn we in staat samen te werken om onze soort (en liefst ook alle andere soorten) te redden? Zijn we bereid om onze gewelddadige neigingen af te zweren? Komen we ooit op een punt waarop we de welvaart en het welzijn van iedereen nastreven? Kunnen we de wereld als een gemeenschappelijk thuis zien en ophouden met het te vervuilen en te vernietigen?
Zelfs mensen die de politiek vooral een pragmatische rol toebedelen zullen moeten toegeven dat deze vragen oneindig veel praktischer van aard zijn dan de onderwerpen waar we nu de krantenpagina's en talkshows mee vullen. En maakt het daarbij uit of we het over politiek hebben op landelijk of op lokaal niveau? Nee. Politiek werkt als een omgekeerde piramide, vanaf de grond naar de top. Politici vinden alles wat wij vinden, maar met flinke vertraging. Wat wij vandaag vinden vinden zij op zijn vroegst morgen pas. En wat de door mij zojuist geformuleerde fundamentele vragen betreft ís er helemaal geen verschil tussen laag en hoog, er is slechts één intrinsiek verbonden systeem. Er is slechts één soort solidariteit, één soort vrede, één economie, één gemeenschappelijk thuis om te redden. Waarom dan niet lokale politiek tot lakmoesproef verheffen voor wat we op nationale en internationale schaal tot stand dienen te brengen? We leven in een tijd waarin er minder en minder ruimte is om aan onze 'zelfzuchtige genen' voorrang te geven, aan materieel gewin of aan kortetermijnproblemen. Het is daarom dat ik denk dat iedereen die in dit tijdsgewricht zijn stem mag uitbrengen, op lokaal of landelijk niveau, en die zijn of haar stem niet uitbrengt op een partij die de wereld zelf tot prioriteit maakt, zijn stem weggooit. De vervuiling en vernietiging van ons gemeenschappelijke huis is daarvan slechts één voorbeeld, zij het een van de meer prangende.
Ik schrijf op deze plek geregeld over natuur. Sommigen zullen daaruit de verkeerde conclusie trekken dat ik me meer om de natuur bekommer dan om mensen. Maar ik máák me helemaal geen zorgen over de natuur. De natuur, die redt zich wel. Ze is alomtegenwoordig, alomvattend en vooral: ze heeft alle tijd van de wereld. Letterlijk. Geef haar een miljoen jaar en ze herstelt geduldig alles wat wij kapot maakten. Waar ik me wel zorgen over maak is over ons, onze soort, homo sapiens. Om onze soort te redden zullen we alle soorten moeten redden, complete ecosystemen, en uiteindelijk de hele planeet. Te beginnen bij ons thuis.

August Tholen



vrijdag 9 maart 2018

Vreemd verschijnsel



'Wie weet hoe en wanneer vogels sterven? (...) Wanneer vertelt een innerlijke klok ze dat het tijd is hun vleugels voor altijd te sluiten? Waarom zie je nooit een dode uil of een sperwer?' 
Die vragen stelt de dichter Michael Krüger zich in de bundel Voor het onweer (uitgave van De Bezige Bij, vertaling van Cees Nooteboom). Ik heb mezelf de vraag over dode en stervende vogels ook geregeld gesteld, samen met de vraag waar alle vogels 's nachts toch blijven (met uitzondering uiteraard van de uilen, die dan op jacht zijn, en de nachtegalen die dan concerteren) en waar stadsvogels heen vluchten tijdens het jaarlijkse vuurwerkgeweld. Alleen, het klópt helemaal niet dat ik nooit dode vogels zie. Hoeveel aangereden vogels heb ik niet op en langs de weg zien liggen, hoeveel dode zeevogels vond ik niet aan het strand, hoeveel merels en lijsters heb ik niet gezien die zich tegen ramen te pletter hadden gevlogen en hoeveel duiven vond ik niet die door een havik of sperwer waren geslagen? Mij schiet ook de nog volledig gave groene specht te binnen die ik samen met mijn kinderen dood aan de voet van een beuk vond, de dode buizerd langs het spoor die ik netjes bij de politie aanmeldde en op liet zetten, de steenuil die ik stervend mee naar huis nam, de kapmeeuw die zich zieltogend door mij liet verzorgen waarna hij alsnog de geest gaf. Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer dode vogels me te binnen schieten. En toch blijf ik mezelf - samen met Michael Krüger - maar de vraag stellen: waarom zie ik nooit dode of stervende vogels? Misschien is de echte vraag: waarom denken we zo hardnekkig dat we nooit dode vogels zien? 
Nu ik het toch over dode vogels heb schieten me ook de vele prachtige prenten van dode vogels te binnen die Charles Donker (1940) maakte, waaronder die van een kerkuil. De ets hangt in het Rijksprentenkabinet. Donker reed in 1993 terug van Extremadura naar Nederland en vond de vogel tussen Niort en Nantes. Hij noteerde: 'Gevonden langs de weg van Niort naar Nantes, over een afstand van ca. 30 kilometer zeker twintig dode kerkuilen (vreemd verschijnsel)'. Inderdaad. Het moet geweldig triest en tegelijk ook geweldig opwindend zijn om zoveel kerkuilen te vinden. En verwarrend. 
Maar genoeg nu over stervende en dode vogels. Werd er vorig weekend nog geschaatst, dit weekend zal het maar liefst 17 graden gaan worden. In de gele olm die voor mijn werkkamerraam staat strijken geregeld paartjes eksters en houtduiven neer om er dode takjes uit te trekken voor hun nest. Waar dood is is leven.


August Tholen

vrijdag 22 december 2017

De sneeuw van weleer



'Mais où sont les neiges d'antan?' (maar waar is de sneeuw van weleer?) is de refreinregel uit een van de bekendste gedichten van Francois Villon (1431-1463), Ballade des dames du temps jadis. Het gedicht gaat over het verstrijken van de tijd, het sterven van al diegenen die ons voorgingen. Terwijl Nederland de afgelopen week bedekt werd onder een dikke laag sneeuw was ik bedolven onder een dikke laag voorvaderen. Met dank aan het internet en de digitalisering van de gemeentelijke archieven. Zonder die archieven zou het verzamelen van genealogische gegevens me minstens maanden, waarschijnlijker nog jaren hebben gekost. En dan nog, dit genealogisch spitwerk is alleen geschikt voor mensen die lijden aan een journalisten- of detectivevirus. Het is fascinerend maar ook uitputtend werk. Gaandeweg begon ik me als een van die speurneuzen van Bellingcat te voelen. Naarmate het werk vorderde stelde ik me daarbij wel meer en meer de vraag: brengt al dat detectivewerk een van al die familieleden ook inderdaad dichterbij? Het is waar dat ik van ze ging dromen; al na een paar dagen begonnen midden in de nacht gemeentelijke registers voor mijn geestesoog op te doemen, geboorte- en doodsafkondigingen, huwelijksaktes en vage gestalten in zwart-wit. Maar hun gezichten ontbraken daarbij, de pregnante details. Eigenlijk, ontdekte ik, ben je als genealoog nauwelijks meer dan een verlengstuk van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Of minder nog, want de ambtenaar die de aktes destijds invulde heeft tenminste nog een van die voorouderlijke gezichten tegenover zich gezien. Hij heeft nog een paar knoestige handen gedrukt, felicitaties overhandigd of wellicht zelfs een traantje weggepinkt bij het noteren van alweer een overleden kind. De genealoog wordt gedreven door een boekhoudkundige behoefte aan ordening; de voorouders moeten kloppen. Hij ordent hun gebeente tot het in de juiste volgorde ligt en de correcte getallen opdoemen. Maar die botten vormen letterlijk en figuurlijk alleen maar het geraamte van het verhaal, terwijl de chroniqueur in mij op zoek was naar de verhalen zelf. De genealoog wil de botten, zou je kunnen zeggen, de chroniqueur het vlees. In hoeverre vertellen die aktes verhalen? Wat vertellen ze over al die levens, die van wieg tot graf en alles daartussenin begeleidt werden in het sierlijk handschrift van gemeentelijke ambtenaren die met even vaste hand berichtten over de heuglijke komst van een nieuwgeborene als over het ontijdige heengaan ervan? De kindersterfte was, zeker naar onze huidige maatstaven, afschuwelijk hoog. Goed, dat weten we, maar weten is één ding. Hoe moet het zijn geweest om aan den lijve te ervaren dat zoveel van je kinderen de volwassenheid niet haalden? Al die kinderen die negen maanden werden meegedragen, die liefderijk werden gezoogd, gevoed, gekust, naar school gebracht, in bed gestopt en voorgelezen, om dan alsnog te worden weggerukt uit de warme omhelzing van het gezin? Kúnnen we ons dat eigenlijk wel voorstellen? Misschien maakt dat genealogie voor de meesten van ons ook tot onbegonnen werk, omdat het een bijna bovenmenselijke verbeeldingskracht vergt om je voor te stellen hoe die voorvaderen elkaar hebben omarmd, hoe ze kolen en hout het huis binnendroegen, hoe ze bang waren voor hun god, hoe ze de koude vingertjes van hun kinderen hebben gekust, of hoe ze, als in het gedicht van Francois Villon, destijds de sneeuw hebben zien vallen, precies zoals wij nu.


August Tholen

maandag 13 november 2017

Vooruitgang versus verdienmodel


Niet zo lang geleden was ik een week in het huis van vrienden. Ik zeg huis, zelf noemden ze het een 'smart home'. Ze hadden werkelijk alles op het gebied van moderne technologie: de platste flatscreentelevisie, een koelkast die zelf de boodschappen bijhoudt, een schoonmaakrobot, de laatste snufjes op het gebied van hi-fi, stemgestuurde deuren en ramen, computers om het licht te bedienen en je van informatie te voorzien over van alles en nog wat. En natuurlijk aansluiting op wifi, internet en alle sociale media binnen handbereik.
En toen viel de stroom uit. Wat waren we blij dat er een open haard was en een doos Scrabble in de kast. We hebben het nog nooit zo gezellig gehad. 

Dankzij het internet en de sociale media kunnen we nu allemaal deelnemen aan één en dezelfde gemeenschappelijke wereld. Alleen: een wereld waarin we allemaal leven is niet de echte. Het is een geconstrueerde, virtuele werkelijkheid. Een platform waar we - even - vertoeven, om daarna weer terug te keren naar de halfslaap van ons werk, onze schoolopdracht, onze geliefde, het drama van onze eenzaamheid. Is het daarbij niet ironisch dat het uitgerekend een aan autisme lijdende nerd is geweest die ons het sprookje verkocht van gemeenschappelijkheid, de illusie van wederzijdse belangstelling en van wereldwijd samen te kunnen zijn? 

Er zijn, lijkt mij, twee menssoorten met wie we dringend moeten leren communiceren: onszelf en de ander. In plaats daarvan leren de grote technologiebedrijven ons te communiceren met apparaten, wall to wall artificial intelligence. De praatpaal is de laatste robotfunctie, een die alle andere apparaten in onze omgeving kan bedienen: cv-installatie, telefoon, licht, muziek. Meer dan de helft van alle Amerikanen schijnt al zo'n robotpraatpaal in huis te hebben geïnstalleerd en praat letterlijk tegen de muren. Is dat vooruitgang? Dat onze evolutie niet langer wordt aangestuurd door ons instinct, daar kan ik me bij neerleggen, maar het lijkt er meer en meer op dat we onze ontwikkeling als communicerende, verbinding zoekende soort nu lukraak in handen hebben gelegd van megalomane technologiebedrijven wiens voornaamste doel het is om geld aan ons te verdienen, die alle vormen van spiritualiteit vervangen door business-strategieën en voor wie vooruitgang gelijk staat aan verdienmodel. Eigenlijk maak ik me steeds meer zorgen over dat woord, vooruitgang, en wat er onder verstaan wordt. Want als er zoiets bestaat als vooruitgang zou het ons dan geen zorgen moeten baren dat we de menselijke evolutie louter laten aansturen door economische groeimodellen, en maar heel zelden door ideologische of spirituele? Steeds meer maak ik me zorgen dat we helemaal geen andere plannen hébben met onze vooruitgang dan een verdienmodel. 

August Tholen

donderdag 19 oktober 2017

Broeder, schrijf toch eens!



Bent u zo'n lezer die een boek aan zich voorbij laat gaan vanwege de kleurloze présence van een schrijver, zijn flaporen, zijn gevorderde leeftijd of zijn gehakkel tijdens een interview? Dat kunt u beter niet doen. Rinus Spruit - die ik hier net beschreven heb - schrijft namelijk prachtig. Zijn boeken zijn een ode aan het plattelandsleven, je zou Spruit de laatste tak aan een Gerbrand Bakkerachtige boom kunnen noemen, schrijvers die op ingetogen, poëtische wijze het buitenleven en de buitengebieden van Nederland bezingen. Rinus Spruit (1946) stamt uit een familie van Zeeuwse rietdekkers en begon op zijn 55ste met schrijven. In Broeder, schrijf toch eens! portretteert hij een man die in het huis van zijn overleden ouders gaat wonen en daar 'aan de deuren van het verleden rammelt'. De eenzaamheid in de Zeeuwse polder is verpletterend en de hoofdpersoon zinkt langzaam weg in het moeras van zijn herinneringen. Hij is pijnlijk eerlijk over de toestand waarin zijn leven verkeert:

'Ik heb mijn leven behoorlijk verkloot. Ik kon geen vrouw en geen werk vinden naar mijn zin. Ik liep weg waar ik had moeten blijven en bleef waar ik beter weg had kunnen gaan. Mijn eenvoudige hardwerkende vader zag het aan, begreep het niet en leed eronder. En ik lachte om zijn simpelheid. Hij is nu anderhalf jaar dood en hoe langer hij dood is hoe meer ik aan hem denk. Ik zou mijn leven over willen doen, al was het alleen maar voor mijn vader.'

Onder andere vanwege die onbarmhartige zelfkritiek (en het feit dat de hoofdpersoon dezelfde naam draagt als de schrijver) werpt Broeder, schrijf toch eens! de vraag op in hoeverre de werkelijkheid samenvalt met de romanwerkelijkheid. Het boek is een autobiografie, een dagboek haast, en tóch is het een roman. Vraag me niet hoe. De stilstand is bij tijden kolossaal. Een reden voor de hoofdpersoon om uit bed te komen is de vink die op de voederplank zit te wachten. Hij kijkt hoe de tarwe groeit op het veld voor het huis, hoe pasgevallen waterdruppels op de uienplanten glinsteren in de ochtendnevel. Hij telt de meeuwen op de akker voor het huis en heeft een goede dag gehad als hij een tros ballonnen heeft zien overdrijven. Ondertussen denkt hij na over de dingen die geweest zijn. Geen wonder dat het niets wordt tussen hem en de vrouwen. 

'Jij leeft achteruit! Jij leeft de verkeerde kant op!' zegt een vrouw tegen hem die hij via een contactadvertentie leert kennen. 

Toch zit de schoonheid van het boek hem precies in deze achteruitgaande beweging. De hoofdpersoon streeft dapper voorwaarts (zo blijft hij het maar proberen met de vrouwen) maar hij leeft achteruit. Dat veroorzaakt een geweldige impasse, een soort stilstand die de observatie en het zelfinzicht scherpt, maar die bij tijden ook haast ondraaglijk is. Je zou kunnen zeggen dat Spruit de ondraaglijkheid van de stilstand meesterlijk weet op te roepen. En met minimale middelen, want Spruit schrijft ingetogen recht door zee-zinnen. Het is literatuur zonder literatuur. In dit boek groeien de emoties zoals de uien op het veld groeien; rauw en onbeschut. Ze hebben niet de bedoeling te behagen maar wat zijn ze mooi, vooral als er pasgevallen waterdruppels op glinsteren in de ochtendnevel.

August Tholen

maandag 9 oktober 2017

Nobelprijs


Nadat de Nobelprijs voor Geneeskunde een week geleden naar drie onderzoekers ging die ontdekten dat je beter 's nachts kunt slapen dan overdag ging vandaag de Nobelprijs voor de Economie naar een Amerikaan die ontdekte dat consumenten weinig doordacht hun aanschaffen doen, iets wat iedere reclameman je kan vertellen. 
Misschien is het toch een probleempje van die Nobelprijs dat hij ieder jaar móet worden uitgereikt, terwijl er niet altijd Nobelwaardige kandidaten voorhanden zijn. Ik stel voor om het ding in zo'n geval met terugwerkende kracht uit te delen, in de literatuur aan Franz Kafka, James Joyce en Vladimir Nabokov die hem om onbegrijpelijke redenen nooit kregen, in de geneeskunde aan Hippocrates en Louis Pasteur, in de natuurkunde aan Christiaan Huygens en Isaac Newton. De Nobelprijs voor de vrede kunnen ze dan mooi in één moeite door van die ongure Henry Kissinger afnemen om hem aan de uitvinder van de televisie te geven. Waarom een vredesprijs aan de uitvinder van de televisie, hoor ik u vragen. Om dat te begrijpen hoef je alleen maar even te denken aan een televisieloze wereld waarin iedereen elke avond de straat opgaat.

August Tholen