maandag 2 september 2019

Te veel natuur


In het boek Met de zon als kompas beschrijft wetenschapster Caroline van Hemert een tocht van 6500 kilometer door de ruige natuur van Alaska. Een aanrader, dat boek, dat natuurlijk voor een groot deel ook over natuurbescherming gaat. 'Soms wordt een landschap het recht geschonken om met rust gelaten te worden', schrijft Van Hemert over de Alaska Native Interest Lands Claim Act, de wetgeving waarmee in de jaren zeventig van de vorige eeuw meer dan 400 000 vierkante kilometer grondgebied werd veiliggesteld voor het publiek belang. Tegelijkertijd moet je vaststellen dat in die uitgestrektheid van de getallen ook het probleem zit. Als er íets is wat de 6500 kilometer lange tocht van Van Hemert duidelijk maakt dan is het dat wereldwijde natuur- of milieubescherming een bijna onbegonnen zaak is. Want wie kan zoveel natuur overzien, wie heeft er overzicht? Er is simpelweg te veel natuur om te moeten redden. En omdat ze niet te behappen is hakken we de natuur in steeds kleinere, behapbare delen.
Een van de ideeën om de natuur te redden is om er recreanten in te sturen. We kennen al safaritoerisme en cruisetochten naar Antarctica, dus waarom zou je dat principe niet verder uitbreiden? Waarom zou je het regenwoud niet kunnen redden op dezelfde wijze waarop je een oude korenmolen of een fabrieksterrein kunt redden, door er een kassa voor te zetten en warme koffie op een terras te schenken? Ook in Nederland zie je het geregeld geopperd worden, het idee dat we de natuur kunnen redden door er toeristen en recreanten heen te lokken. En nee, dat is natuurlijk geen oplossing. Het is zelfs geen schijnoplossing; het is onderdeel van het probleem. Toerisme, dat betekent: drommen mensen die zich en masse willen verplaatsen per brandstofverslindend vliegtuig, die zich over kilometerslange stroken asfalt voortbewegen, die in hotels gehuisvest moeten worden, die als een meute bizons het kostbaars vertrappen dat ze komen bekijken, die willen consumeren en die na zich een dag vermaakt te hebben met neushoorns of pinguïns naar een casino willen of hun zuurverdiende geld willen uitgeven in een winkelboulevard, McDonald's of casino.

Toch zal het als oplossing omarmd worden, ook in Nederland. Waarom? Omdat er hoop uit spreekt, de hoop dat we ondanks alles goed bezig zijn. Hoop schuilt vaak in kleine dingen. Onze behoefte om hoopvolle dingen te horen maakt dat we geregeld op kleine kinderen lijken die de handen voor de oren houden en luidkeels ta-ta-ta-ta of la-la-la-la roepen als we het slechte nieuws niet willen horen. Daarmee gaat het probleem uiteraard niet weg. Dat probleem is en blijft dat er bij natuurbescherming per definitie niet in het groot wordt gedacht. Het blijft allemaal hapsnapwerk, een stukje hei of een kievitsnest hier, een vlinderpopulatie of een groene zone daar. Op wereldschaal geldt nog sterker dat het allemaal te groot is om het te overzien. Er is te veel natuur om te moeten redden. Daarom beschermen we liever één panda dan het bos dat hij nodig heeft om in te leven.

Dus is het nu tijd voor een voorspelling, een die maakt dat u de handen voor de oren zult willen slaan en luid ta-ta-ta-ta zult willen gaan roepen. Mijn voorspelling is deze: we zullen van natuurbescherming pas écht werk gaan maken als die natuur eindelijk wél te overzien is. Dat wil zeggen, wanneer ze zo goed als verdwenen is en als er alleen nog hier en daar wat minuscule vlekjes van over zijn, ter grootte van een panda. Om die natuur zullen we dan een hek heen zetten, en ta-ta-ta-ta, wat zullen we die dan goed beschermen!

August Tholen


Met de zon als kompas, Caroline van Hemert 
(€ 24,99 Atlas/Contact 2019)

maandag 1 juli 2019

Laken


Twee jongens hadden ze, de familie Kip. Ze woonden op de hoek van de straat en waren vier en vijf, ietsje jonger dan mijn jongste broer en ik. Hun tuin was een rommeltje, een opslagplaats van schroot en oud ijzer. De oudste van de Kipbroertjes had me met zijn broek op de knieën ooit in die tuin voorgedaan hoe je een spijker in het gaatje van je piemel kunt duwen, kennis waarvan ik tot op de dag van vandaag niet weet wat ik er aan heb. Nadat mijn moeder van de spijker hoorde verbood ze ons nog langer met de broertjes Kip om te gaan. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want we kwamen ze voortdurend tegen. We woonden in een piepklein dorp, de straat was zo'n beetje ons speelgebied en we mochten die straat ook al niet oversteken omdat aan de overkant gebouwd werd. Tegenover ons huis werd een compleet nieuwe wijk uit de grond gestampt. De hele dag hoorden we het lachen en roepen van werkmannen, het ratelen van betonmolens en het zoemen van bouwliften. De broertjes Kip hadden van ouderlijk toezicht weinig last, die konden zich naar hartelust uitleven tussen de hopen zand en bouwmateriaal waar ze forten en hutten mee bouwden. Als we ze tegenkwamen maakten ze ons ook nog jaloers door te vertellen dat ze zelfs ín de huizen waren geweest.
Op een dag zouden we net aan tafel gaan toen er werd aangebeld. Twee agenten aan de deur. Ze vroegen mijn moeder beleefd of die een deken of laken kon missen. Aan de overkant van de straat stond hun auto voor het bouwterrein. Daar had de jongste Kip met de bouwlift gespeeld. Hij had een knop ingedrukt, en nou ja, die lift, die was berekend op honderden kilo's bakstenen tegelijk. Die zag geen obstakel in een kind van vier. Nu moest zijn verpletterde kleine lichaam worden toegedekt tot de ambulancedienst kwam. Ik herinner me de stemming in de straat, het huilen van de moeders, het misschien nog afschuwelijker zwijgen van de vaders. En hoe de rest van de dag daarna maar eindeloos bleef duren, hoe die maar niet tot een einde wilde komen. 
De zon was nog altijd niet onder gegaan toen de agenten het laken terug kwamen brengen. Natuurlijk, het was mijn moeders laken en het waren beleefde agenten, maar waarom ze een laken vol bloed teruggaven, dat begreep mijn moeder jaren later nog steeds niet.

August Tholen


maandag 24 juni 2019

Poëzie versus polemiek


Wat ik de vorige keer op deze plek over Arnon Grunberg schreef, ik zeg het maar voor de geestelijke gezondheid van de lezer, was niets dan vorm, polemische leegloperij. Wat weet ik helemaal van Arnon Grunberg? Ik nam een piepklein beetje antipathie en bouwde er een kop van Jut mee. Wie dat leuk vindt houdt geloof ik van publieke terechtstellingen, van rotte eieren gooien naar het schavot, van onthoofdingen op marktpleinen en de geur van bloed. Ik maakte Grunberg, iemand die ik volstrekt niet ken, uit voor impotent, beroepsmasturbeerder, leugenaar, moerskindje. Het ontbrak er nog maar aan dat ik hem een jood noemde. 
De reacties - meest van vrouwen - waren niet van de lucht en te voorspellen. Het was het soort bijval waar ik al bij voorbaat enigszins voor beducht was, want bijval is het lot van polemiek, van herrie, van onwellevendheid. Die bestanddelen lijken wel vaker de sleutel tot (schrijvers)succes te vormen. Vervelend genoeg, want ik heb weinig aanleg voor herrie en onwellevendheid, en slechts een beetje voor polemiek. 
Je zou de polemiek een bijprodukt van de literatuur kunnen noemen, zij het dat nogal wat polemieken nauwelijks het niveau overstijgen van de ingezonden krantenbrief. Het is een en al verenopzetterij, pompeuze burgermansdrift en opgeblazenheid. Het is dan ook bij uitstek een mannengenre, met Komrij als onbetwiste koning. Komrij verschafte het genre bestaansrecht door er humor en ironie aan toe te voegen. Zonder die ingrediënten is de polemiek niet veel meer dan het verbeten gehakketak van een clubje door verontwaardiging en testosteron gedreven mannetjesputters. Het resultaat van al dat testosteron is miniem, te vergelijken met het opborrelen van wat gas ergens ver weg in de permafrostlaag van Oost-Siberië. Als je al dat gasvormige testosteron bij elkaar zou voegen krijg je een bel methaan ter grootte van Jupiter of Saturnus. En net als het methaan op die verre gasreuzen is het grotendeels verspilde energie waar nooit een kachel of fornuis hier op aarde harder van zal branden. 

Afgelopen zaterdag was ik in de Geertekerk in Utrecht waar een poëziegebeurtenis plaatsvond. Poëzie, zou je kunnen zeggen, is de absolute tegenhanger van polemiek. Het was dan ook een genoeglijke middag, geen spoor van twist of dispuut. Niets dan vriendelijke, welwillende gezichten, aangenaam klinkende woorden, en ook nog prettige muziek erbij. Het leek verdomd wel een beetje op vrede.

August Tholen

zaterdag 15 juni 2019

Seksrabbijn


Het was geen makkelijke week voor Arnon Grunberg. Hij was het onderwerp van veel hoon en boegeroep, tot zelfs in zijn eigen Volkskrant aan toe waar collega-columniste Loes Reijmer hem een feministisch knietje toediende. De reden? Grunberg had zijn relatie verbroken met VPRO-researcher Roos van Ees. Vlak voor de twee samen naar de Verenigde Staten zouden vertrekken om daar een documentaire te maken over liefde, relatie en seks bekende Grunberg verliefd te zijn geworden op een ander. Vlak daarna bleek Roos zwanger te zijn. Het krijgen van een kind was iets waarover ze beiden gefantaseerd hadden, maar omdat Grunberg zwangerschap lastig te combineren vond met zijn nieuwbakken affaire drong hij nu aan op een abortus. In de Belgische krant De Standaard was vervolgens in detail te lezen hoe de twee alsnog samen op reis gingen en hoe Van Ees een miskraam kreeg onder de douche.
Afijn, allemaal van een weinig verheffend niveau. Nu weet ik ook wel dat de mensen uitgerekend dingen van weinig verheffend niveau naar binnen slurpen als warme soep, maar voor iemand als ik, die de roddels altijd oversla, bevat zo'n bericht veel om me over te verbazen. 
Allereerst moet ik van de verbazing bekomen dat Arnon Grunberg in staat is geweest een vrouw zwanger te maken. Ik heb Grunberg altijd een van gods minder appetijtelijke scheppingen gevonden, met dat kinloze voorkomen, die licht tranende blik van een aan botulisme lijdend zeehondje, die akelig bleke, deegachtige onderarmen en dat aura van nerdiness dat je vooral bij beroepsmasturbeerders aantreft. Het verbaasde me dan ook uit de documentaire Arnon Grunberg, heb je nog steeds vrienden? te vernemen dat hij wel degelijk relaties had, zoals die met een piepjonge paardrijdende padvindster. 
Nu doet bewondering vreemde dingen met mensen, maar toch, het leek me iets zeggen over de wonderlijk vergevingsgezinde (of opportunistische) natuur van vrouwen dat ze iemand als Arnon Grunberg bovenop zich konden verdragen. Vanaf de eerste keren dat ik hem op televisie zag, ergens in de vroege jaren '90, leek hij me zo'n ziekelijk moederskindje waar niemand mee wil spelen, laat staan seks mee wil hebben. Dat uitgerekend hij over de geslachtsdaad mag schrijven in de Volkskrant leek me een hogere vorm van pesterij; zoiets als een manke gnoe in het leeuwenverblijf loslaten of Andries Knevel Spuiten en slikken laten presenteren. Onnodig te zeggen dat ik de rubriek steevast oversloeg. Ik kon het pueriel gebabbel over cunnilungus en onenightstands niet verdragen bij mijn ochtendboterham, ook al niet omdat Grunberg alles uit zijn duim lijkt te zuigen. Het is altijd mijn indruk geweest, bij het merendeel van zijn schrijfsels, dat Grunberg voor zichzelf een parallele literaire werkelijkheid heeft gecreëerd omdat hij zich in de bestaande werkelijkheid geen raad weet. Hij leek me zo'n papieren eunuch, een parmantige perkamentkever die niet weet hoe te leven, behalve tussen boeken- en krantenpapier. 
Kan het me verder iets schelen dat Grunberg vrouwen gebruikt en ze daarna als oud vuil aan de kant schuift? Nee, dat kan me niets schelen. Waarom moet me dat uitgerekend van Grunberg iets kunnen schelen? Mensen zijn opportunisten, en wie zegt me dat die vrouwen Grunberg niet even hard gebruiken? Of moet ik werkelijk geloven dat vrouwen, die doorgaans toch bekend staan om hun gezonde intuïtie in dit soort zaken, in dit kinloos, aan botulisme lijdend moederskindje een waardige bedpartner en betrouwbare vader van hun kinderen zien? In die documentaire Arnon Grunberg, heb je nog steeds vrienden? zegt hij trouwens letterlijk: 'Relaties komen bij mij niet op de eerste plaats, en zelfs niet op de tweede, want daar staat mijn moeder al.' 
Dames, u bent gewaarschuwd.

August Tholen

vrijdag 7 juni 2019

Rare vogels, die jongens



In een tuincentrum vlakbij wordt een vogeltentoonstelling gehouden. Er is koffie, een catalogus en de onvermijdelijke expositie van amateurschilderkunst. Het publiek bestaat voor het merendeel uit morsige mannen in verkreukelde leren jassen, ongecoiffeerd en met een smeulende peuk tussen de vingertoppen geklemd. Bij deze wat vreemd uitgedoste mannen horen vreemd uitgedoste vogeltjes. De tentoongestelde vogels zijn bijna allemaal gedesignd: ze zijn uitgerekt of juist bolvormig, ze hebben abnormaal grote of absurd kleine poten, platte of uitstaande veren. Er zijn erbij met een hoog opgerichte kuif, anderen met een monnikachtige tonsuur. Maar de kroon spannen ongetwijfeld de postuurkanaries. Neem de Parijse Frisé, een kanarie die eruit ziet alsof hij met geweld door een stofzuiger is opgeslokt en er aan de achterkant met hetzelfde geweld weer is uitgeblazen. Zijn veren draagt hij als een kleurige wervelwind om het lichaam. 
Of de Padovan Frisé, een vogeltje met een verenpak dat doet denken aan een felgeel huishouddoekje waarmee iemand de machinekamer van een rijnaak heeft schoongemaakt, het vervolgens op 90 graden gewassen en daarna met een heteluchtpistool heeft proberen te drogen. 
Sommige vogels kregen een prijs of speciale vermelding. Die hebben zich extra onderscheiden door kleur of vorm, maar op een manier die voor een niet-ingewijde verborgen blijft. Ik ben zo'n niet-ingewijde, en ik kijk dan ook mijn ogen uit. Een vogel is voor mij eerst en vooral een wonder van functionaliteit en efficiency, maar het idee dat een vogel veren heeft om zichzelf warm te houden, poten om op rond te hippen en een bek om mee te eten is hier volledig losgelaten. Functionaliteit is hier ondergeschikt gemaakt aan veel dwingender opvattingen over kleur en vorm en dimensie. Binnen die opvatting is een vogel een doos kleurige legostenen waarmee je naar believen steeds weer nieuwe combinaties bouwt. Dus kom je hier alle variaties tegen die je ook ziet bij andere huisdierrassen: reusachtig groot, pietepeuterig klein, idioot kort en plomp, lachwekkend langgerekt, etcetera. De variaties zijn eindeloos, want de verwondering van de legodierenbouwer is snel uitgedoofd en dan moet er weer iets nieuws aan de schepping of prijzenkast toegevoegd worden. Als je hetzelfde legoprincipe op mensen zou toepassen zou je vermoedelijk een aboriginal met albinisme aan een roodharige Kelt met reuzengroei koppelen, waarna je een soort Eftelingwezen overhoudt. Is dat wat de kweker van postuurkanaries bezielt, de Anton Pieckachtige behoefte om steeds weer nieuwe sprookjeswezens te scheppen? Goed, het is dan wel geen draak of vliegende toverkol, zo'n heteluchtkanarie, maar het komt in de buurt. 
De kweker van postuur- of designvogels zal tegen deze kritiek inbrengen dat de natuur zelf ook 'designd'. Dat is ook zo, de natuur schept schier eindeloze variaties. Het verschil is alleen dat het de natuur daarbij dodelijke ernst is. De natuur ontwerpt niet uit prestatiedrang en ook niet omdat ze zich verveelt of om er prijzen mee te winnen. Wat ze schept moet levensvatbaar zijn, terwijl de meesten van deze designvogels zo fragiel zijn dat ze alleen onder heel speciale condities gehouden kunnen worden. Veel postuurkanaries zijn bijvoorbeeld zo doorgefokt dat ze zichzelf niet meer warm kunnen houden, en je moet er niet aan denken wat al dat uitrekken, krimpen en omvormen doet met inwendige organen of andere lichaamsfuncties.
Valt het kweken van postuurvogels daarmee onder dierenmishandeling?
Aan de liefde van deze kwekers voor hun vogels hoeft denk ik niet getwijfeld te worden. Mensen houden tenslotte ook van hun doorgefokte hangoorkonijntje, hun naar adem happende Pekinees, hun aan nierstenen lijdende Siamees, hun van de heupdysplasie kromhangende fikkie. 
Toch sta ik even later met gemengde gevoelens weer buiten. 
Er vliegt een troepje pimpelmezen over. Het geel en blauw van hun veren schittert in de zon als ze achter de boomtoppen verdwijnen. 
Ligt het aan mij of hoor ik ze luidkeels schaterlachen?

August Tholen

vrijdag 31 mei 2019

Voor altijd



Volgens het VN-rapport dat onlangs verscheen dreigt een achtste van alle plant- en diersoorten op aarde binnen de komende tien jaar uit te sterven. 
Een achtste, ik zeg het nog maar eens. Van alle plant- en diersoorten. Binnen tien jaar. 
En uitsterven, dat doe je voor altijd. 
Ook bij uitsterven moet je geluk hebben, bijvoorbeeld dat je voortleeft als woord, als synoniem voor wat uitgestorven is. Dat overkwam de dodo. 
Je kunt ook uitgestorven zijn en dat niemand je naam nog kent. Ik noem de Nachtegaalkarekiet, de Struikwinterkoning, de Po'ouli, de Cryptische Boomjager, de Novaesbladspeurder, de Bramble Cay-Mozaïekstaartrat, de Pinta Island-Schildpad, het Formosaanse Nevelluipaard, de Pyrenese Steenbok, Stellers Zeekoe, de Rocky Mountain Sprinkhaan, het Madeira Groot Koolwitje, de Quagga, de Gouden Pad, de Rodriguesspreeuw, de Berberleeuw, de Blauwe Antilope, de Madagaskar-Dodaars, de Caribische Monnikszeehond, de Falklandwolf, de Cubaanse Ara, de Reuzenrijstrat, de Hopspreeuw, de Witvoetboomrat, de Grootoorspringmuis, de Oostelijke Buidelhaas, de Langstaartspringmuis, de Zuidelijke Stekelstaartkangaroe, de Tasmaanse Spreeuw, de Auroch, de Spix-Ara, de Tanna-Patrijsduif, het Columbia Basin-Dwergkonijn, de Diksnavelgrondduif, de Kleine Bosmoa, de Belhoningvogel, de Bruine Purperspreeuw, het Bulwerstormvogeltje, de Nieuw-Zeelandse Snipral, de Kona-vink, de Forbessnip, de Kruisbekvink, het Tristanwaterhoen, de Huia, de Oahu-o'o, de Witvleugelstrandloper, de Lachuil, de Piopio, de Paradijspapegaai, de Langoorbuideldas, de Irmawallaby, de Buidelwolf, de Varkenspootbuideldas, de Mauritiustaling, de Mascarenenkoet, de Mauritiusvleerhond, de Olifantsvogel, de Blauwstaarthagedis, de Arabische Struisvogel, de Balinese Tijger, het Bubal Hartebeest, de Canarische Zwarte Scholekster, de Monniksrob, de Carolinaparkiet, de Kaukasische Wisent, de Trekduif, de Ryukyu Houtduif, de Santo Stefano Hagedis, de Kaapverdische Reuzenskink, de West-Zwarte Neushoorn en, vooruit, het Schomburgkhert.

August Tholen


zaterdag 25 mei 2019

Stem



Rond drieën de deur uitgelopen, de straat overgestoken, een deur opengetrokken en een gebouw binnengegaan, een stukje plastic (ID) uit mijn zak getrokken, een groot gevouwen papier overhandigd gekregen, met dat papier tussen drie houten planken gaan staan en een miniscuul vakje rood gekrast met een soort timmermanspotlood aan een touwtje. 
Daarna langdurig overwogen of het hele democratische proces werkelijk niet meer behelst dan deze ene, piepkleine handeling, het kortstondig op en neer bewegen van een stukje hout teneinde een mierengroot oppervlak aan papier met wat rood pigment te vullen. 
Ik ging twijfelen. 
Mijn getwijfel leidde tot de gedachte: dit kan onmogelijk alles zijn, ik moet vast méér doen.
Ik dacht zelfs: ik doe het waarschijnlijk al jaren verkeerd!
Toen bedacht ik me dat ik precies hetzelfde ook dacht de vorige keer dat ik ging stemmen. 
Ik vouwde het papier dus dicht, deponeerde het in de daarvoor bestemde grijze container en ging het stemlokaal uit. 
Missie volbracht. 
Buiten, nog nasidderend van burgerlijk verantwoordelijkheidsgevoel, kwam ik Theo tegen. 
Of hij ook ging stemmen.
Hij ging ook stemmen. 
Mocht ik weten wát hij ging stemmen?
'De SP,' zei hij, meteen gevolgd door een berustend: 'niet dat die ene stem van mij wat gaat uitmaken.'
'Tja, dat is óók het geruststellende van stemmen, je kunt eigenlijk niets fout doen,' zei ik.
We kregen het erover dat je zelfs van hechte vrienden vaak niet weet wat hun politieke denkbeelden zijn of waar ze in de beslotenheid van dat hokje echt op stemmen.
'Precies, misschien gá ik wel helemaal niet op de SP stemmen,' lachte Theo.
'Dat is mogelijk Theo,' zei ik. 'Alleen, waarom zou je over zoiets verschrikkelijks liegen?

August Tholen