dinsdag 16 mei 2017

Overvloed



In een boek dat ik lees is sprake van een uil die ‘peinzend voor zich uit kijkt’. Dat roerloos zitten van uilen heeft ze de reputatie bezorgd van fikse nadenkers, maar dat lijkt me onzin. Uilen zijn geen snars intelligenter dan roodborstjes of boerenzwaluwen. Dat dieren aan enige vorm van contemplatie doen is sowieso hoogst onwaarschijnlijk. De dagelijkse strijd om voedsel en veiligheid slokt al hun beschikbare tijd en energie op. Overleven, zou je ook kunnen zeggen, stompt de geest af, bij mensen zie je hetzelfde verschijnsel. Misschien, bedenk ik me nu, dat daar ook de oorsprong ligt van onze cultuur, van de kunst en de filosofie. Nogal wat dieren - ik denk dan met name aan vogels - investeren ongelooflijk veel moeite en energie in schijnbaar overbodige zaken zoals kleuren of uitbundige patronen. Het dier zegt daarmee: ik kan me overbodigheid permitteren, in zo’n goede conditie ben ik. Overvloed kan dus als lokmiddel worden ingezet. Misschien dat bij mensen ooit diezelfde overvloed tot cultuur heeft geleid, dat we kunst en filosofie en spiritualiteit zijn gaan gebruiken om ermee te zeggen: we hebben tijd in overvloed, tijd om andere dingen te doen dan alleen maar te overleven. 


August Tholen

donderdag 4 mei 2017

Armageddon



Een man spreekt over zijn jeugd die hij doorbracht in een sekte. Zijn ouders voedden hem op met de gedachte van een ophanden zijnd armageddon. Geloof in een einde der tijden-theorie is een extreme vorm van complotdenken. 
Aansluitend hoor ik een oorlogsveteraan van 94 spreken over de noodzaak tot herdenken. Vooral jongeren, zegt hij, zouden herdenkingbegraafplaatsen moeten bezoeken, om te begrijpen hoe hun vrijheid betaald is in mensenlevens. Bij herdenkingbegraafplaatsen denk ik altijd aan Margraten. Een oom van me onderhield daar het terrein van de Amerikaanse oorlogsbegraafplaats. Duizenden witte kruisen, zo keurig in rijen geordend dat je haast zou vergeten dat er mensen begraven liggen.
Wanneer er over oorlog gesproken wordt zie ik geen lange rijen graven waar individuen liggen begraven, ik zie de oorlogen zelf in lange rijen opgesteld op een oneindig veld met kruisen tot voorbij de horizon, kruisen die elk een oorlog of conflict uit de menselijke geschiedenis vertegenwoordigen. 
Tot nu toe ben ik er altijd van overtuigd geweest dat onze soort zowel in staat is zijn eigen ondergang te bewerkstelligen als te voorkomen. Maar er is natuurlijk een tipping point, een moment waarop we de zaken zelf niet meer in de hand hebben. Het grootste gevaar van de toekomst voor onze soort is dat onze psychologische progressie geen gelijke tred zal houden met onze technologische progressie. Dat we uitvindingen zullen doen die we niet kunnen beheersen, of dat we onszélf niet zullen kunnen beheersen met de uitvindingen die we doen. 

August Tholen

zondag 26 maart 2017

Schilderijendiefstal Van Goghmuseum

                                                     Illustratie: Cyprian Coscielniak

(Tevens gepubliceerd in NRC van 25 maart 2017)

Dinsdagavond mocht Octave 'Okkie' Durham bij DWDD en Pauw uitleggen hoe hij te werk is gegaan bij de diefstal van twee schilderijen uit het Van Goghmuseum in 2002. Tijdens die interviews werd hem volop de gelegenheid geboden zichzelf te profileren als snaakse jongen van de straat én en passant het vals-romantische beeld te bevestigen dat velen hebben van kunstroof en -rovers. In de interviews zegt Octave Durham dat hij zich verbaasd heeft over de ophef die over de schilderijendiefstal ontstond en over de waarde die de werken bleek te vertegenwoordigen onder liefhebbers. Een leugen natuurlijk, de dingen waar een dief zijn oog op laat vallen zijn per definitie dingen die waarde vertegenwoordigen voor anderen. Ook laat Durham zich tijdens het interview kennen als een parmantige opschepper, een ordinaire kwartjesvinder en anti-spijtoptant die zich vol trots onder de Champions League-spelers schaart van het dievengilde, ook al werd hij meerdere malen opgepakt en bracht hij 4,5 jaar in de gevangenis door vanwege de Van Gogh-kraak. Van kunst weet hij niets. Het schilderij De Aardappeleters - waar hij eigenlijk zijn zinnen op had gezet (maar dat te groot bleek om mee te ontsnappen) - noemde hij 'De Aardappeltelers'. Het is veilig aan te nemen dat hij van de maker, Vincent van Gogh, ook niets weet. Iemand zou hem misschien moeten vertellen dat Van Gogh zijn leven lang in grote armoede leefde maar desondanks nooit tot diefstal verviel. Dat Van Gogh, terwijl hij zelf niets bezat, berooide mensen ging helpen in de mijnstreek van de Borinage. Dat hij bij leven slechts één schilderij verkocht maar desondanks door menigeen wordt benijd om zijn rijkdom. Die rijkdom zat hem in zijn talent om de schittering van de schepping te zien in een bos irissen of wat wuivende cypressen langs een tarweveld, het vermogen om pracht en glorie te zien in het onaanzienlijke; een paar afgedragen schoenen of uitgedroogde zonnebloemen. Van Goghs fortuin zat hem in de gave om zich over een sterrennacht boven een caféterras te kunnen verwonderen, over bloeiende amandeltakken of vlinders in het gras. Dat, zou je kunnen zeggen, is het verschil tussen Vincent Van Gogh en Octave 'Okkie' Durham: Van Gogh was straatarm maar beschikte over schatten in zijn hoofd, terwijl voor deze Durham geldt: hoeveel hij ook bij elkaar zal stelen, hij zal altijd straatarm blijven.

August Tholen

Volkswoede en wagensmeer

                                        Scène uit 'De wonderdoener', aflevering 10, Floris (1969)

(14 maart 2017)

Xenofobie, anti-islamisme, terreurdreiging, volkswoede en verhuftering: soms bekruipt me de vrees dat ik in de afzondering van mijn werk- en woonkamer aan het radicaliseren ben tot redelijk denkend mens.
Is de wereld beklemmender geworden, moeilijker, gevaarlijker? Ik geloof er geen snars van. Ik heb inmiddels meer dan een halve eeuw om op terug te zien, de jaren die ik duimsabbelend en spelend met houten lepels in de zandbak doorbracht niet meegeteld. In die halve eeuw was er aan dreigingen geen gebrek. Ik was maar net een jaar oud toen de wereld aan een atoomoorlog - sommigen zeggen aan een derde wereldoorlog - ontsnapte als gevolg van de Cubacrisis. Mijn hele jeugd door was er de dreiging van een nucleaire wedloop, de doem van de koude oorlog en gedurig gedonder in het Midden-Oosten. In West-Europa werd het nieuws beheerst door bloedige aanslagen van de IRA, de ETA, de links-extremistische RAF en de Rode Brigades, en in Nederland hadden we te maken met Molukse acties in de vorm van treinkapingen en gijzelingen.

Hoewel al die dingen niet aan mijn aandacht ontsnapten herinner ik me niet dat ik er wakker van lag. De jeugd heeft wel wat anders aan zijn hoofd dan het NOS-journaal. Mogelijk is het ook onze kindertijd, die zorgeloze, krantenvrije periode in ons leven, waardoor we later denken dat de wereld beklemmender is geworden, moeilijker, gevaarlijker. Hoe dan ook, terwijl opstandige studenten in onze hoofdstad het Maagdenhuis bezette en de Amerikanen in Vietnam napalm gooiden op de Vietcong verzamelde ik voetbalplaatjes, speelde diefje-met-verlos en keek op een zwart-wittelevisie naar Swiebertje en Floris. Vooral Floris maakte grote indruk op me. Hoewel ik amper tien jaar was toen de serie werd uitgezonden herinner ik me veel scènes letterlijk. Zo herinner ik me een aflevering waarin een wonderdoener op een dorpsplein medicijnen verkoopt. Hij heeft flacons met een oplossing die blindheid en zweren geneest, en pillen en zalf die zo'n beetje tegen alle andere kwalen van de wereld bescherming bieden. Luidkeels prijst hij zijn waar aan. In een volgende scène zien we hoe de wonderdoener aan zijn medicijnen komt: de geneeskrachtige oplossing schept hij uit een boerensloot, de pillen zijn geitenkeutels en de zalf is doodgewone wagensmeer.

Ach, wat waren ze onnozel, die middeleeuwers. Zulke goedkope bedriegerij, daar trappen we tegenwoordig niet meer in. In de 21ste eeuw denken we over de dingen na. We zijn verlicht, goed opgeleid en goed geïnformeerd. We hebben een professionele, op wetenschap gefundeerde gezondheidszorg en dokters die ons van vrijwel alles kunnen genezen, om te beginnen van ons bijgeloof.
Of toch niet?
Wie maken er nog steeds handig gebruik van onze aangeboren angst voor ziekte en dood, van onze diepgewortelde vrees voor het onbekende, onze angst voor verlies en armoe en verandering? Wie zijn het vandaag de dag die ons een wondermiddel proberen aan te smeren, een oplossing voor al onze problemen?
Dat brengt me bij het populisme.

Je zou er van kunnen uitgaan (al doe ik dat persoonlijk niet) dat het de taak is van politici om ons een wereldbeeld aan de hand te doen, een visie over hoe verder. In het meest ideale geval fungeert de politicus dan als richtingwijzer. 'Die kant op, weg van de afgrond' zegt hij. Wat de populistische politicus doet is roepen dat er een afgrond ís. Hij blijft het probleem aanwijzen maar biedt er zelden - en nog vaker nooit - uitvoerbare oplossingen voor. In plaats daarvan blijft hij steeds maar het probleem benoemen, als een stok waarmee hij in het rond slaat. Dat is niet alleen weinig constructief, daarmee wordt hij tevens zelf onderdeel van het probleem. De publieke en politieke arena is een hoenderhok. Door voortdurend met een stok rond te zwaaien in het hoenderhok verkeren wij, het pluimstemvee, in een constante staat van blinde paniek. De zwevende kiezer is meestal een angstig rondfladderende kiezer. Maar in plaats van onze angst te bestrijden, wat de taak is van een politicus, doet de populistische politicus er juist alles aan om onze angsten aan te wakkeren, om er vervolgens een schijnoplossing bij te bieden.
Geitenkeutels en wagensmeer dus. Populistische politici bieden maar al te vaak een oplossing voor een probleem dat er óf niet is, óf dat ze sterk uitvergroten. In de categorie eigenhandig geschapen problemen kun je denken aan de angst voor overname door een vreemde religie, de angst dat de eigen cultuur of identiteit verloren gaat, of simpelweg de angst dat het hele land in puin ligt, wat zelden het geval is. Wat je in ieder geval met zekerheid kunt stellen: van alle oplossingen die wonderdoeners als Trump en Wilders ons te bieden hebben gaat er niet één werken. Hun oplossingen zijn daarvoor te kinderlijk ('We gaan een muur bouwen'), ze zijn onuitvoerbaar ('We gaan de koran verbannen'), onredelijk ('We helpen geen mensen uit andere landen') of gewoonweg ongrondwettelijk ('We gaan alle moslims uit ons land weren'). Die onuitvoerbaarheid lijkt de stemmers op populisten absoluut niet te deren. Wat deze groep kiezers lijkt te delen is een blind geloof in een sterke hand, in wonderdoeners. Daarom zijn populisten vaak charismatische kletsmajoors, of borstroffelende aapmensen à la Trump, mannetjesputters die beweren al onze problemen met één vuistbeweging van tafel te gaan vegen. In het geval van Trump - die de ene stommiteit op de andere stapelt - is het daarbij mogelijk dat hij werkelijk in zijn eigen oplossingen gelooft. In het geval van de veel sluwer Wilders is het uitgesloten dat hij meent zijn beloften waar te kunnen maken. Hij weet beter, of zou beter moeten weten.
Dat maakt Wilders tot een slootwaterverkoper.

Zijn er dan geen echte gevaren? Zijn er geen dingen om bang voor te zijn? Natuurlijk zijn die er. Er is nog nooit een tijd geweest zónder dingen om bang voor te zijn, en zo'n tijd zal er ook nooit komen. Of het nu een koude oorlog is of terroristische aanslagen, zure regen of economische malaise, de opwarming van de aarde, de instroom van buitenlanders of het besef dat de eigen cultuur of identiteit aan verandering onderhevig is; we zullen nooit angstvrij leven. Maar is het met die zekerheid in ons achterhoofd dan niet beter om elkaar aan te sporen tot moedig gedrag, liever dan elkaars angsten te reflecteren? Is het niet onder alle omstandigheden beter dat we onze waardigheid bewaren, liever dan als een troep panikerende kippen door het hok te stuiven? Is het niet onder alle omstandigheden en bij alle problemen raadzaam om de gelederen te sluiten en de gevaren op een waardige en manhaftige manier het hoofd te bieden? Is dat niet waartoe onze politici zouden moeten oproepen? De pogingen van de politiek om onze angst te begrijpen begrijp ik daarom niet.

Wie meer dan wat ook het verkiezingsproces beheerst, zeker na de Brexit en de verkiezing van Donald Trump, is de ongrijpbare 'boze witte man'. Net als de verschrikkelijke sneeuwman schijnt hij niet te bestaan, wat journalisten er overigens niet van weerhoudt om naar hem op zoek te gaan. De boze witte man is niet zomaar een beetje ontstemd; afgaand op de verkiezing van een geitenkeutelgroothandelaar als Trump moet hij witheet van woede zijn. En wat is woede? Woede is niets anders dan onverwerkte angst, dat kan iedere psycholoog je uitleggen. De pogingen van de politiek (en de pers) om de volkswoede te begrijpen begrijp ik daarom al evenmin. En ook als ik die woede wél zou begrijpen zou het mijn politieke voorkeuren niet beïnvloeden want met woede valt geen beleid te construeren. In woede zit geen toekomst, zou je kunnen zeggen. Woede is zo'n beetje het tegendeel van visie, het zijn twee begrippen die elkaar wederkerig uitsluiten. Hetzelfde kun je vaststellen over veel populistische (vaak extreem-rechtse) sentimenten; je kunt ze willen begrijpen maar dat is nog iets anders dan ze aanzien voor een visie op onze menselijkheid.

Zo moeten we ons serieus afvragen of de PVV plannen heeft met het Nederland van over vijftig of honderd jaar. Wat gaat hij (of zijn opvolger) doen als onze angst voor islamieten, Marokkanen en andere culturen is weggeëbd? Populisme kan vooral bestaan bij de gratie van onze angsten. Een van de angsten waar het populisme van voedt is de angst voor verlies van identiteit en cultuur. Bij sommigen neemt die angst de vorm aan van plots oplaaiende vaderlandsliefde, die weer gepaard gaat met allerlei vormen van nostalgie, zoals het prefereren van klokgebeier boven moskeegezang, of de wens om het Wilhelmus verplicht te laten zingen door scholieren. Hoe dan ook, als politici het woord vaderland gebruiken knijp ik altijd de tenen bij elkaar. Politici willen ons er mee aansporen om pas op de plaats te maken, om de tijd stil te zetten, om de platonische liefde die we voelen voor het stukje grond waarop we toevallig zijn geboren uit te breiden tot een fysieke en rituele verering. Daarbij hoort de leugen dat het vaderland een bepaalde eigenheid en bepaalde kenmerken bezit die voor iedereen en voor altijd gelden. Maar 'vaderland' is geen statisch begrip. Het is een containerwoord dat voor iedereen en te allen tijden iets anders kan en zal betekenen. Dat 'vaderland' niet iets statisch is maar een steeds verschuivende conceptie hebben de Duitsers, lijkt me, meer dan overtuigend aangetoond in het tijdvak 1919 tot 1990, een periode die ze van Weimar naar Wehrmacht voerde en van Wirtschaftswunder tot die Wende. Gedurende die relatief korte periode nam 'vaderland' beurtelings huiveringwekkende of opbeurende vormen aan, maar nooit betekende het woord hetzelfde voor álle Duitsers.

Ondanks alle nationalisme, isolationisme en populisme is er ook goed nieuws. Trump, Wilders en Le Pen, ze verzamelen progressieve en humane krachten in de hele wereld. Trump gaat daarin voor. Zijn gestuntel heeft behalve grote eensgezindheid onder de humanen hopelijk ook tot gevolg dat bij de komende verkiezingen in Nederland, Frankrijk en Duitsland de populistische slootwaterverkopers het lid op de neus krijgen.

August Tholen

woensdag 15 april 2015

Eigen kracht eerst



Jarenlang heb ik me niet met de verzorgingsstaat bezig gehouden. Ik was bezig haar kas te spekken, zonder morren, want ik was ervan overtuigd dat die verzorgingsstaat een paar belastingcenten mocht kosten. Toen brak de recessie aan. Op hetzelfde moment dat veel mede-vaderlanders een beroep moesten doen op de verzorgingsstaat liet Rutte middels de door koning Willem-Alexander uitgesproken troonrede weten dat die verzorgingsstaat werd afgeschaft en vervangen door een participatiemaatschappij. Dure woorden die een armlastiger beleid aankondigden. Er zouden nog veel andere dure woorden volgen; sindsdien is het Eigen Kracht hier en Eigen Kracht daar, Burgerverantwoordelijkheid zus en Mensen in hun kracht zetten zo. Die terminologie stoort zo mogelijk nog meer dan de armoede die ze moet verhullen. In woorden als Participatiemaatschappij en Eigen Kracht vindt je datgene terug waar de politiek altijd al in uitblonk: het bedenken van eufemismen. Maar hoe dik de brij van woorden ook is die om dergelijke terminologie heen geschapen wordt, het is en blijft ambtenarentaal voor: wij trekken onze handen van u, de burger, af. Het is het ‘Zoek het zelf maar uit’ van een ex-verzorgingsstaat die ons iedere draconische bezuiniging en beperking probeert te verkopen als een blessing in disguise. ‘Eigen Kracht’ is de reclameslogan van een overheid die taken afstoot, níet uit veranderende inzichten over hoe je het beste hulp kunt bieden maar uit lamme geldnood. Het is vadertje Staat die zijn hulpbehoevende kinderen met wat kleedgeld de straat opstuurt en dat vervolgens uitlegt als verantwoordelijk ouderschap; hij bevordert er immers het zelfstandig worden van zijn kinderen mee. En wie wil nou bevoogding en toezicht, niemand toch? Er wordt, zo moeten we geloven, de burger hier een hoogwaardig alternatief geboden voor staatsdwang: hij kan eindelijk eens fijn over zichzelf beschikken.
Het zijn de drogredenen en begoochelingen van een overheid voor wie maar één argument werkelijk telt: de centen. Als burgers over genoeg Eigen Kracht zouden beschikken zouden ze geen gebruik hoeven te maken van overheidshulp. Ze zouden - een enkele uitzondering daargelaten - dat soort vergaande bemoeienis maar al te graag aan zich voorbij laten gaan. Dat Eigen Kracht en Participatie een nieuw ‘besluitvormingsmodel’ (nog zo’n toverwoord) zouden vormen lijkt me verder ook een belediging voor iedere hulpverlener die zijn vak verstaat. Was de eigen kracht niet iets waar elke goede hulpverlener altijd al op aandrong? Sterker nog, is het niet iets zonder welk hij machteloos staat? Participatiemaatschappij en Eigen Kracht zijn geen besluitvormingsmodellen, het is overheidsjargon van een overheid die zelf niet meer wil participeren. Die ons, burgers, door het gebruik van uitgekookte eufemismen het zicht wil ontnemen op haar werkelijke bedoelingen. De ‘ontdekking’ van de participatiemaatschappij heeft de overheid daarbij een nieuw machtsmiddel in handen gegeven: wie niet participeert krijgt straf. Van eigen kracht naar sancties bij het niet-participeren, het lijkt wel communistische dictatuur nieuwe stijl.
Op allerlei manieren dringt onze overheid er op aan dat we ons zelf en elkaar helpen, dat we hulpvaardige, participerende burgers zijn in plaats van calculerende. Het zijn inderdaad prachtige eigenschappen, en deels aan te leren ook nog, thuis of op school. Maar dat wordt niet gemakkelijker met een overheid die zelf met een zakcalculator in de hand het slechte voorbeeld geeft.

maandag 23 maart 2015

Lispeltuut en Alpenterrorisme



(Geplaatst op 16 januari 2015)

Lispeltuut en Alpenterrorisme


Paus Franciscus noemt zachtmoedigheid ‘het beste antwoord op extremistische dreiging’. Daar kan hij best eens gelijk in hebben, al was het geen zachtmoedigheid die een einde maakte aan de gijzelingen in Frankrijk of waarmee een terreuraanslag in het Belgische Verviers verijdeld werd. Niet iedereen ziet in zachtmoedigheid een wapen. Sommigen zien zelfs een bedreiging in alle religie. Ze hebben hun buik vol van Jahweh, God en Allah. Maar religie laat zich niet afschaffen. Mensen laten zich hun behoefte aan geloof in hogere machten niet zomaar afnemen. Wie was het ook weer die zei dat we ‘ongeneeslijk religieus’ zijn? Als de Koran, Bijbel en Thora niet hadden bestaan en het enig in schrift overgeleverde woord was Pluk van de Petteflat geweest, dan zouden we elkaar nu naar alle waarschijnlijkheid de kop inslaan over de vraag of de Lispeltuut de echte reïncarnatie van de profeet is, we zouden eindeloos ruzieën over wat de Krullevaar bedoelde toen hij tot Pluk sprak in de Torteltuin en er zou een schisma ontstaan over de vraag of de brandende hasselbramenstruik overdrachtelijk danwel letterlijk bedoeld is.
Mocht u zich gekrenkt voelen door de vergelijking van heilige openbaringsboeken met Pluk van de Petteflat dan hoort u waarschijnlijk tot het soort mensen waar ik op doel.
Beter dan over de afschaffing van godsdiensten kunnen we het over onze veiligheid hebben. Zo vroeg ik me af of onze overheid al het inzetten van lokcartoonisten heeft overwogen. Waarom zouden we tenslotte wachten tot de terroristen ons komen opzoeken? Laten we ze een stap voor zijn, bijvoorbeeld door het her en der strategisch plaatsen van pratende Wilders-poppen. Het verschil met de echte zal niet te merken zijn, onze Geert zegt toch altijd dezelfde dingen, en we zouden dan mooi een arrestatieteam achter iedere pop kunnen leggen. Goed, misschien is niet alles even haalbaar, maar ik wil maar zeggen: waarom afwachten? Op een wat grotere schaal zou de nationale veiligheidsdienst een fake tijdschrift op kunnen richten dat aan de lopende band beledigende teksten en cartoons verspreidt, waarbij ze vooral niet moeten vergeten om goed zichtbaar het redactieadres te vermelden, bijvoorbeeld een verlaten kantoorgebouw ergens in Leidschendam-Voorburg. Daar hoeft alleen nog een anti-terreureenheid achter de ontvangstbalie geplaatst om die jihad-jongens op te wachten. Vervolgens keurig berechten en ergens heen sturen waar ze geen narigheid meer kunnen uithalen, liefst een plek die zo dodelijk vervelend is dat je alleen nog naar een wapen grijpt om er jezélf mee van kant te maken.
Ik dacht aan Zwitserland.

August Tholen

maandag 19 november 2012

Tante nonneke



De katholieke kerk maakt zware tijden door. De berichten over misbruik zijn veelvuldig en bijna wekelijks komen er nieuwe verhalen bij. De kerk bleek haar adagium ‘Wie zijn kinderen liefheeft kastijdt ze’ nog veel serieuzer te hebben genomen dan menigeen al vermoedde.
Hoeveel reputatieschade kan de kerk eigenlijk aan? Een van de reacties op de vloed aan onthullingen is die van mensen, niet per se gelovigen, die het beeld van een door en door verdorven kerk proberen te nuanceren. Ze doen dat door te wijzen op de moedige, zelfopofferende geestelijken die al of niet in stilte goede werken verrichtten, zoals paters die onder moeilijke omstandigheden lepra, honger of analfabetisme bestreden.
De vraag blijft of tien goede werken opwegen tegen één slecht, maar de nuancering gaat bovendien voorbij aan de hoofdzaak. Die is dat de kerk als instituut zozeer verweven is - en altijd is geweest - met macht dat er automatisch machtsmisbruik uit moest voortvloeien. Iets van die macht brokkelt nu af en dat lijkt me een goede zaak.
De macht van de kerk is voelbaar geweest in mijn familie. Diverse vaalbruine foto’s in het familiealbum laten verwanten zien in kloosterdracht, zoals de foto – de enige - van mijn tante nonneke. Tante nonneke was een tante van mijn moeder, mijn oudtante dus. Vanaf haar vroege jeugd had ze in een klooster gezeten en ze was legendarisch om haar bescheidenheid en zachte inborst. Er hing een waas van engelachtigheid om haar heen. We bezochten haar soms in het klooster in Breda, waar ze zuster Clara heette. Die naam stond op een groot bord in de ontvangsthal van het klooster. Haar echte naam heb ik nooit te horen gekregen. Mijn moeder sprak haar kloosternaam met onverholen ergernis uit maar tante zelf was fier op haar naamsverandering. Ze mocht ons ontvangen in een speciale familiekamer waar op fluistertoon diende te worden gesproken en waar een zuinig kopje koffie geschonken werd. De spreektijd was gering, de sfeer - het moet gezegd - die van een gevangenisbezoek.
Bij heel bijzondere gelegenheden mocht ze wel eens mee naar buiten genomen worden. We namen haar dan in de auto mee om ergens wat te gaan drinken. Dat was een beetje alsof je een uitstapje maakte met ET aan boord. In de wereld buiten het klooster was zuster Clara volledig ontheemd, als een diepzeevis die vanuit de troggen van de oceaan in het volle zonlicht op het dek van een boot is getrokken. Níets begreep ze van de wereld buiten het klooster of wat er in gaande was. Met grote ogen van verwondering liet ze zich daar in rondleiden. Haar frêle, in kloosterkleren gestoken gestalte detoneerde hevig met de buitenwereld en ze hield niet op met uit te roepen dat ze beslist op tijd terug in het klooster moest zijn. Ze was als een klein verdwaald meisje.
Dat had iets ontroerends, tot ik begreep waarom dat was. Mijn oudtante praatte en gedroeg zich als een klein meisje omdat ze dat meisje wás. Het klooster had haar, door haar op veel te jonge leeftijd op te nemen en van de wereld af te sluiten, in haar ontwikkeling gestopt. Ze hadden haar fysieke ontwikkeling gestopt door haar lichaam onder vele lagen stof te verbergen, door dat lichaam te verbloemen en de belangrijkste functies ervan te ontkennen: het lichaam dat lucht en licht wil, dat aangeraakt wil worden, kinderen voortbrengen. En ze hadden haar mentale ontwikkeling gestopt door haar elk initiatief te ontnemen, door haar psyche te beroven van de intellectuele vrijheid die wij tegenwoordig zo hoogachten, onder andere door haar geestelijk voedsel te beperken tot het eenzijdig menu van de bijbelse doctrine, besloten in twee loodzware gangen van een oud en een nieuw testament, het boek dat ze dagelijks tot zich nam.
Hoezeer ik op mijn tante nonneke gesteld was en hoezeer ik ook haar engelachtigheid bewonderde: de puurheid van mijn tante was vooral het gevolg van paternalisme en ongezonde afzondering, van indoctrinatie en vrome ontkenning. Buiten de kloostermuren, in het echte leven, had ze haar onbevangenheid nooit in stand kunnen houden.
Om in te zien hoezeer de term machtsmisbruik hier op zijn plaats is hoeven we onszelf alleen maar voor te stellen dat wij, anno 2012, onze eigen kinderen op dezelfde wijze zouden afzonderen van de wereld, ze van hun vrijheid zouden beroven en ze indoctrineren met één zienswijze, één perspectief op de wereld. Niet voor niets zou de rechter in zo’n geval ingrijpen; het is een vorm van machtsmisbruik en kindermishandeling, nauwelijks minder wreed dan het seksuele misbruik.
Natuurlijk, wie het beeld wil bijstellen van een door en door geperverteerde kerk heeft de beschikking over talloze verhalen van moedige, zelfopofferende geestelijken die al of niet in stilte goed deden. Dat laat onverlet dat we ons moeten willen distantiëren van het instituut - zij het niet van de gelovigen. De macht die dat instituut zo lang kon uitoefenen ging gepaard met structureel machtsmisbruik. Daarvoor is het niet genoeg om te wijzen op al degenen die niet misbruikten. Het beeld van de kerk willen nuanceren of bagateliseren is een groot onrecht ten opzichte van mensen als mijn tante nonneke. En de velen die nog steeds door de kerk of soortgelijke instituties worden gekneveld, gehersenspoeld en structureel in hun ontwikkeling worden gesmoord. Of seksueel misbruikt.