maandag 25 juni 2012

Oranjebitter en poëzie


Aan de leestafel van de Rode Loper tref ik Tarig. Tarig is een Soedanese dichter en nauwelijks een jaar uit het asielzoekercentrum. De tafel voor hem ligt bezaaid met boeken en dichtbundels. Ik zie Kopland, Andreus, Lucebert. Tarig is een leer- en leesgierige asielzoeker. Hij heeft de oekaze van onze overheid om te integreren meer dan ter harte genomen. Wel moet hij nog leren Hollands gedestilleerd te drinken. Tarig drinkt Pernod, omdat dat hem doet denken aan een lokaal drankje uit zijn geboortestreek in Soedan. Daar ligt nog werk voor hem, zou je kunnen zeggen, dus bestel ik twee Oranjebitter. Verder verschillen we van mening over wat dat is, integreren.
‘Het niet makkelijk zijn, contact maken met Nederlanders,’zegt hij.
‘Dat snap ik Tarig, dat dat niet lukken wil.’
‘Nee, zeer moeilijk zijn.’
‘Je kunt het zelfs op je buik schrijven, zou ik denken.’
‘Sorry? Ik wát op mijn buik schrijven?’
‘Die integratie, die kun je vergeten. Jij zult nooit echt integreren, nog in geen honderd jaar.’
Tarig fronst. Zijn anders zo vriendelijke ogen kijken me vragend aan. Ik zie dat hij zelfs ontstemd dreigt te raken. 
‘Wat bedoel jij? Waarom ik niet al helemaal?’
Ik leg vriendelijk mijn hand op zijn pezige onderarm.
‘Tarig, je bent Soedanees en je leest poëzie. Na nog geen jaar in dit land lees je Ne-der-lan-dse poëzie verdorie.'
'Nou en?' 
'Heb je enig idee hoeveel Nederlanders poëzie lezen? Dáárom zul je niet integreren. Je bent niet gewoon anders, je bent twee keer anders.’
‘Jij toch ook lezen poëzie?’
‘Ja, dat klopt.’
‘Nou dan?’ 
Ik zucht. 
‘Ik ben een vreemdeling in mijn eigen land.’
‘Wat? Jij ook vreemdeling? Waar jij vandaan dan?’
‘Zo bedoel ik het niet, Tarig. Ik bedoel dat ik een vreemdeling ben in het land waarin ik geboren ben. Ik bedoel dat het mij al evenmin lukt om te integreren als jou. Als wij willen integreren dan moeten we in een kroeg vol zwetende mannen naar de tour kijken, of op een camping in Renesse met vrouwen praten die naar Frans Bauer luisteren en denken dat cunnilingus een Italiaans pastagerecht is. En dat verdom ik.’
Tarig knikte ernstig. Vermoedelijk wist hij niet wie Frans Bauer was en cunnilingus was na een jaar integreren ongetwijfeld te hoog gegrepen, maar hij begreep het. Ik zag aan zijn ogen dat hij het begreep.
‘Jij hier geboren,’ zei hij. ‘Maar onder jouw wit vel zit ook een Afrikaan.’
‘Dat is mooi gezegd, Tarig.’
Tarig hief zijn glaasje Oranjebitter. ‘Laten wij drinken op de Afrikaan in ons,’ zei hij plechtig en in niet te verbeteren Nederlands. 
Ik tikte mijn glaasje tegen de zijne. 
‘Op de Afrikaan in ons, Tarig. En op iedereen die een beetje anders is.’
‘Op de zwervers en de asielzoekers van deze wereld.’
‘Op de zwervers en de poëzielezers.’
We lachten, één moment lang verbonden door de Oranjebitter en de poëzie, bij elkaar horend omdat we er niet bij hoorden.